Cenakelkerk binnen

Open Monumentendag ‘Special’ op 11 en 12 juni

De Cenakelkerk is in het weekend van 11 en 12 juni samen met de collega’s binnen het Grootste Museum van Nederland speciaal open. Museum Catharijneconvent in Utrecht heeft indertijd het initiatief genomen om dit project van het Grootste Museum van Nederland op te zetten. Wat onze kerk betreft kunnen wij het een geslaagd project noemen. Buiten de corona-episode komen er op jaarbasis ongeveer 10.000 bezoekers.

Om het bestaan van deze 18 prachtige kerken en synagogen extra in de belangstelling te zetten, heeft het Catharijneconvent een speciale Open Monumentendag georganiseerd. Zie voor het programma in het hele land: www.grootstemuseum.nl

De openingstijden in dit weekend zijn voor de Cenakelkerk:

  • Zaterdag 11 juni van 11.00 uur tot 16.30 uur. Aanvang concert 14.00 uur
  • Zondag 12 juni van 12.30 uur tot 17.00 uur. Aanvang concert 13.30 uur

Zaterdag en zondag is er muzikale opluistering door pianist en organist Frans Coerwinkel en zang en fluit door Jozien Villier en Hetty van der Wee. Binnen onze kerk zijn deze twee dames beter bekend als de “zusjes van der Borg”. Er zullen werken van Bach, Mozart, Fauré en Rutter ten gehore  worden gebracht.

Zoals altijd is de entree van de kerk gratis en in dit weekend is het gebruik van de audiotour ook gratis.

Al met al dus een uitgelezen moment om de kerk ook eens te bekijken buiten de gebruikelijke vieringen.

–    Cor de Jager

DSC_3358

Preek voor de 6de zondag na Pasen 22 mei 2022 Cenakelkerk

Preek voor de 6de zondag na Pasen 2022                                                   Herwi Rikhof

Hand. 15,1-2.22-29  Joh. 14,23-29

 

Inleiding
De keuze over welke lezing vandaag te preken is niet gemakkelijk. Drie mooie teksten, maar omdat ze alle drie toch wat andere kanten uitgaan niet gemakkelijk te combineren. Over de Helper die de Vader in de naam van Jezus zal zenden ( evangelie) kom ik in de komende weken nog wel te spreken en dat visioen van het hemelse Jerusalem (tweede lezing) komt ter sprake in de eerste vakantieviering als het over de architectuur van onze kerk gaat. Dus sta ik straks stil bij de eerste lezing, de lezing die afgebeeld is in onze kerk, op het laatste grote paneel links boven.

 

Preek
Of in de les over het schrijven van brieven ook iets gezegd werd over het bewaren van brieven weet ik niet meer, maar dat kan ook kwestie van een selectieve herinnering zijn. Wel herinner ik me dat we leerden nooit met ‘ik’ te beginnen. Dat was niet beleefd. Dat mochten we ook niet doen als we thuis vertelden over wat we met vrienden gedaan hadden: Niet ‘ik en Peter zijn gaan zwemmen’, maar ‘Peter en ik zijn gaan zwemmen’ was dan soms de vriendelijke, soms de kribbige correctie. Dat was een teken van jezelf belangrijk vinden en voorop stellen en egoïsme hoorde niet. Gelukkig is de brief die voor de jonge kerk en voor de kerk in de eeuwen daarna doorslaggevend is geworden, bewaard gebleven: de brief met de besluiten van wat wel het eerste ‘concilie’ genoemd wordt.

Of die term, ‘concilie’ die pas eeuwen later in zwang komt is, correct is, is de vraag. Maar duidelijk is wel dat de oplossing van het eerste grote en principiële probleem waar de jonge kerk zich mee geconfronteerd zag, niet gezocht werd in het benoemen van een commissie, die jaren later met een rapport zou komen, ook niet door de beslissing bij éen persoon te leggen, zoals in die tijd niet ongebruikelijk was: de romeinse keizer was uitgegroeid tot een alleenheerser en zijn vertegenwoordigers konden over leven en dood beschikken, zoals we weten uit het lijdensverhaal en uit onze geloofsbelijdenis – onder Pontius Pilatus. Nee, de jonge kerk zoekt de oplossing in overleg.  De uitkomst van dat overleg staat in de brief die Paulus en Barnabas (en nog een paar anderen) mee nemen wanneer ze van Jerusalem teruggaan naar Antiochië, waar dat principiële probleem zo duidelijk  speelde.

Wat was dat principiële probleem?  En, vooral, is dat een probleem uit het verre verleden of ook een probleem voor ons? Beide denk ik: verleden en heden. Barnabas en Paulus hebben op hun eerste grote reis in wat nu Turkije is, in allerlei steden en streken gepreekt en steeds meer niet-Joden zijn gaan geloven in Jezus. Dat levert een probleem op, een spanning niet alleen tussen de Joden die niet in Jezus geloven en de eerste christenen, die Joden waren, tussen de synagoge en de kerk, maar nog veel meer een spanning binnen de eerste christengemeenschap: een spanning tussen Joden en niet-Joden. Kun je christen worden zonder Jood te worden? Het hele probleem spitst zich toe op de besnijdenis.

Als je dat zo hoort klinkt het als een ver en oud probleem. De kwestie van de besnijdenis speelt niet meer. Maar dat is maar éen kant van het probleem. De ander kant is de misschien wat abstractere vraag naar de voorwaarden. Wat zijn de voorwaarden om christen te worden? Hoe zwaar zijn die voorwaarden om christen te worden? Hoe hoog is de drempel? Zijn christenen een soort super-mensen? Gaat het in het geloof zoals bij de olympische spelen of wereldkampioenschappen erom dat je eerst aan bepaalde normen moet voldoen voordat mee kunt doen? Moet je eerst aan alles en nog wat voldaan hebben voordat je bij de kerkgemeenschap hoort?

En die brief is dus bewaard gebleven. Die brief bevat een zin die weliswaar beleefd is, ik of wij staat niet voorop, maar een zin die toch wel heel pretentieus is: de Heilige Geest en wij. Een zin die Piet Gerrits geschilderd heeft boven de schildering van dat eerste ‘concilie’ en boven Paulus en Barnabas die teruggaan naar Antiochië.

Een pretentieuze zin. Maar voor we die zin dus maar weg doen, is het goed te kijken naar dat eerste concilie en naar wat daar plaats vindt. Ik heb al gezegd dat het opvallend is dat de vroege kerk er voor kiest dat probleem breed te bespreken. Die vergadering van apostelen en oudsten maakt duidelijk dat men er zich van bewust is dat niemand in zijn of haar eentje de waarheid in pacht heeft. De waarheid komt pas aan het licht wanneer er overleg plaats vindt, naar elkaar geluisterd wordt, wanneer er samen gezocht wordt. Een belangrijke beslissing, omdat het betekent dat in de kerk telkens samen die waarheid gezocht moet worden. Wanneer paus Franciscus ons allen oproept tot een synodaal proces over de toekomst van de kerk, dan is dat in lijn met die beslissing.

Die houding stelt de apostelen in staat te zeggen dat de Heilige Geest door hen werkt. ‘De Heilige Geest en wij’. Dat kan men zeggen omdat men in de naam van Christus, in de Geest van Christus is samengekomen. ‘Waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn, ben ik in hun midden’. Maar om de diepte van dat ‘de Heilige Geest en wij’ te begrijpen, moeten we preciezer volgen wat op die vergadering gebeurt. Het is jammer dat de beschrijving van dat belangrijke proces weggelaten is in de lezing van vandaag. Daarom vul ik het maar aan.

Wanneer dan die vergadering van apostelen is samengeroepen, gebeurt daar wat er zo vaak op vergaderingen gebeurt: ‘na veel heen en weer gepraat, nam Petrus het woord’ staat er in de vertaling die we in de liturgie lezen. ‘Toen het tot een hevige woordenstrijd kwam, stond Petrus op’ staat in de nieuwste vertaling. Heel herkenbaar: ‘veel heen en weer gepraat’, ongetwijfeld door elkaar heen, misschien wel zonder echt naar elkaar te luisteren, ieder met haar of zijn eigen gedachten, met de dingen die hij of zij belangrijk vindt, of ze nu wel of niet ter zake zijn. Zo gaat dat, ook bij geloofsbeslissingen. Ze mogen dan wel in de naam van Jezus bij elkaar zijn, dat betekent niet dat ze daarmee automatisch ook in de Geest van Jezus bijeen zijn. Wij beginnen de dienst hier ook altijd met in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, maar dat betekent niet dat we daarna niet meer afdwalen met onze gedachten, dat geen gevoelens van verveling of vermoeidheid hebben.

In dat heen en weer worden dan voorstellen gedaan: Petrus die stelt dat er geen verschil geen onderscheid gemaakt mag worden tussen joden en heidenen, omdat God geen onderscheid maakt. Paulus die vertelt over wat hij en Barnabas hebben meegemaakt op hun tocht. Jacobus die het wel eens is met Petrus en Paulus, maar niet zonder meer. De voorwaarde van de besnijdenis laat hij vallen, maar hij vindt wel dat er minimumvoorwaarden gesteld moeten worden. Die minimumvoorwaarden worden overgenomen en ze staan in de brief die de apostelen schrijven en die brief hebben we net gehoord.

Een compromis? Dat klinkt slecht, dat klinkt als gekonkel, dat riekt naar achterkamertjes. Maar hoeft het niet altijd te zijn: het kan ook poging zijn om het goede van allerlei kanten op te nemen. Dat is denk ik hier aan de hand, maar daarvoor moet ik dat proces toch iets nader analyseren. Petrus verwoordt een principe, Paulus vertelt wat er gebeurt en Jacobus wijst naar de traditie. Dat is dus een samenspel van principe, huidige gebeuren en traditie. Hoe belangrijk dat samenspel is, wordt duidelijk als een element weg valt of maar een element in het spel is. Principes zijn belangrijk, zonder principes geen visie en geen criteria voor goed of fout, maar aan alleen principes is luchtfietserij. Wat nu gebeurt is belangrijk, zonder aandacht voor wat er nu aan de hand is, geen realiteit, maar alleen aandacht voor wat er nu aan de hand is hollen van hype naar hype. Traditie is belangrijk, zonder de rijkdom van vroeger ervaringen, zonder de inzichten van geleefde wijsheid geen diepgang, naar alleen traditie is een museum met vitrines, met waar je naar kijken kunt, maar niet aanraken of voelen.

Dat samenspel is de basis voor die pretentieuze zin. Het is maar goed dat die pretentieuze zin daar staat in onze kerk: een aansporing voor ons tot dat samenspel.

000089-Piet-Gerrits-Cenekalkerk-Petrus-en-Simon-Magus

Preek voor de 5de zondag van Pasen 2022  Cenakelkerk

Preek voor de 5de zondag van Pasen 2022                                      Herwi Rikhof

Openb. 21,1-5a Joh. 13,31-33a.34-35

 

Inleiding
Vandaag wordt in Rome Titus Brandsma heilig verklaard, er zijn veel Nederlanders in Rome, een grote delegatie ook van de Radboud Universiteit, want zoals u weet was Titus verbonden aan de toen R.K Universiteit te Nijmegen, hij heeft in Nijmegen gewoond en mijn oude buurvrouw kende hem als de vriendelijke pater van wie ze wel eens een pepermuntje kreeg. Een mooie aanleiding om straks stil te blijven staan bij heiligen en heiligheid.

Preek
Nog wat onwennig zat ik in de collegezaal. Ik kende nog niemand en ik was zelfs niet zeker of ik er wel mocht zijn, want ik was wel verbonden met een college, maar dat was niet allemaal echt officieel en goed geregeld. Maar niemand had iets gezegd of naar mijn studentenkaart gevraagd. Naast mij zat een iets oudere studente, die met een accent dat ik niet thuis kon brengen, begon te vragen waar ik vandaan kwam, Nederland, wat ik studeerde, theologie en filosofie, en wat het onderwerp was van mijn promotieonderzoek, de kerk in een van de grote documenten van het Tweede Vaticaans Concilie. En toen stelde ze een vraag die ik niet goed verstond, niet vanwege haar accent of vanwege mijn oren, maar omdat het voor mij een volkomen onverwachte en ook vreemde vraag was: do you want to be a saint, wil je heilig worden. Ik verstond in eerste instantie do you want to be sane, wil je gezond zijn en dacht dat ze ging vragen naar welke sport ik beoefende – een gewone vraag in een universiteit waar sporten haast even vanzelfsprekend was als studeren in een van de bibliotheken, en ik had ja gezegd voordat ik me realiseerde dat ze heel iets anders vroeg: wil je heilig worden.

Wil je heilig worden: een volkomen onverwachte en ook vreemde vraag. Natuurlijk kende ik wel heiligen. Op de slaapkamer van mijn broertje en mij hingen, toen we klein waren, een reproductie was van wat ik nu weet een mooi schilderij uit de Italiaanse Renaissance is, een schilderij van Maria met een paar heiligen en op onze slaapkamer hing ook een portret van een jonge zuster met rozen, Theresia van Lisieux. Een keer per jaar kwam het prachtige reliekschrijn van de patroon van onze parochie te voorschijn en werd dan in een plechtige processie rond gedragen, een gouden borstbeeld van de heilige Plechelmus. Heiligen dat waren verwegge mensen, mensen uit een meestal ver verleden, mensen op verre afstand, mensen uit kloosters.

Ik moest telkens weer even denken aan dat gesprekje in de collegezaal jaren geleden toen ik de afgelopen weken verschillende publicaties over Titus Brandsma las, en een paar van zijn eigen geschriften, en de foto’s van hem zag. In die publicaties komt hij misschien wel als een held naar voren kwam, zoals hij in van de titels van de boeken genoemd wordt, van held tot heilige maar toch vond ik hem vooral een gewoon mens. Als een docent die soms goed en bevlogen college gaf en soms waren zijn colleges ‘de splinters van de plank die hij elders zaagde’ zoals Godfried Bomans dat in zijn Nijmeegse herinneringen formuleert, een hoogleraar ook die te maken kreeg met de politieke spelletjes die blijkbaar van alle tijden zijn, die soms schipperde en soms heel koppig kon zijn, een man die ook gewoon met sigaar en pijp op foto’s staat, een man die religieuze gedichten schreef waaruit vertrouwen in God en in Jezus spreekt en een man die ook in een diepe crisis te recht kwam vol angst en vertwijfeling en wilde vluchten. Een man die dat beeld van verwegge heiligen doorbreekt.

Een van de lezingen van vandaag, is een lezing die bij onze kerk hoort. Een zin uit die lezing staat ook op de boog geschilderd. Maar ik wil het nu niet hebben over die zin, hoe diepzinnig die ook is, maar over iets anders in onze kerk dat past bij deze zondag van de heiligverklaring van iemand bij ons uit de buurt. Een van de mooie aspecten van onze kerk vind ik namelijk dat de mozaïeken die we zien en de schilderingen die ons omringen ons twee vormen van heiligheid laten zien; twee vormen die verbonden zijn aan twee verschillende kunstvormen en verbonden aan twee verschillende kunststijlen.

Op het mozaïek, hier achter mij in de absis zien we de hemelse liturgie met engelen, wat langgerekte figuren en in de Maria kapel zien we ook engelen en de apostelen, statisch, met verstilde emoties en natuurlijk Maria met achter haar de verrezen Heer. De gouden achtergronden maakt die liturgie en die ontslaping van de Moeder Gods tot iets aparts, iets dat onze gewone werkelijkheid ontstijgt.

Maar op de schilderingen zien we juist die gewone werkelijkheid, zien we mensen aan het winkelen, kinderen die muziek maken, mensen die aan het werk zijn, of onderweg, of met elkaar zitten te praten.  Op de schilderingen zien we dat allerlei gebeurtenissen die van alles met geloof en met God  te maken hebben, juist in die gewone werkelijkheid plaats vinden. Terwijl Piet Gerrits in de mozaïeken een wat verheven stijl van verbeelding gebruikt, gebruikt hij in zijn schilderingen een ‘gewone’ stijl, gebaseerd op de tekeningen die hij maakt toen hij in het Heilig Land verbleef van het dagelijkse leven dat hij daar zag.

Een paar jaar geleden heeft onze paus een document laten verschijnen over de roeping tot heiligheid  in de wereld van vandaag onder de titel Gaudete et exultate, verheugt u en juicht, woorden die Jezus in het evangelie van Mattheus zegt aan het eind van de zaligsprekingen. Die zaligsprekingen vormen de bijbelse basis voor wat de paus zegt over heiligheid. Hij geeft meteen in het begin aan dat hij geen uitgebreid en genuanceerd en theoretisch betoog gaat houden over heiligheid ‘met zeer veel definities en distincties’, en het ook niet wil hebben over zaken die bij heiligverklaringen een grote rol spelen zoals teken van heldhaftigheid in de beoefening van deugden, het opofferen van het eigen leven als martelaar, zaken die vandaag ongetwijfeld ter sprake komen. Hij wil zich niet beperken tot degenen die officieel zalig of heiligverklaard zijn, maar hij wil aandacht vragen voor ‘de heiligheid van de deur hiernaast, van hen die dicht bij ons leven, die een weerspiegeling zijn van de aanwezigheid van God’, of zoals hij het een beetje prikkelend formuleert: voor de middenklasse van heiligheid. Niet voor de professionals, niet voor de olympische kampioenen, maar voor de amateurs.

Die professionals kunnen wel als voorbeeld, dienen maar dan niet als voorbeelden die je klakkeloos moet navolgen, die je moet kopiëren, maar als mensen die jou kunnen inspireren om op jouw manier heilig te worden en vooral in jouw ritme, stap voor stap. Of zoals hij het ook zegt, soms gaat het er alleen maar om op een betere manier te doen wat je al doet.

Soms krijg je de indruk wanneer je verhalen over de grote heiligen leest, dat ze heilig geworden zijn door zich allerlei dingen te ontzeggen, zich op te offeren, zoals we ook weten dat topsporters zich van alles ontzeggen en moeten ontzeggen om goed in conditie te blijven, om aan de top te blijven. Dan is het een verademing om bij de paus te lezen: ‘wees niet bang voor heiligheid. Het zal niets van je energie, vitaliteit of vreugde wegnemen. Integendeel: je zult worden die de Vader in gedachte had toen hij jou schiep en je zult trouw zijn aan je diepste zelf’. Worden wie je bent.

‘Worden wie je bent’  is een motto voor de de retraite die we altijd met de groep vormelingen houden. De afgelopen week hadden we weer een bijkomst en gezien de tijd van het jaar stond het Pinksterfeest centraal. Ik had ze gevraagd de twee heel verschillende verhalen over Pinksteren te lezen: het spectaculaire verhaal van de vurige tongen, de storm en het spreken in talen en het heel rustige, eenvoudige  haast gewone verhaal dat Jezus zijn adem over de bange apostelen uitblaast en hen zo de Geest geeft. Het ene verhaal is is afgebeeld in de koepel en daarboven rechts , het ander in de eerste kapel links. Een van de vragen was: welk verhaal vind je het mooist? En de grootst mogelijke meerderheid was voor het eerste spectaculaire verhaal. Maar één vond het tweede verhaal het mooist en ik heb me aangesloten bij die minderheid.

Wil je heilig worden? Als het gewoon kan ?

 

b57025df8399101ca41d26a460f526c0

Preek voor de 4de zondag van Pasen 2022 Cenakelkerk

Preek voor de 4de zondag van Pasen 2022                                           Herwi Rikhof

Openb. 7,9.14b-17 Joh. 10,27-30

 

Inleiding
De afgelopen weken hebben we als evangelie verhalen gehoord over de verschijningen van de verrezen Heer; nu begint een andere fase in de paastijd, want er klinken de komende weken andere evangelieteksten, intieme teksten over relaties, teksten uit wat Jezus die laatste avond tegen zijn leerlingen zegt, teksten uit het gebed dat hij bidt voor hij de hof van olijven ingaat, zijn lijden en dood tegemoet. Vandaag op de zondag van de Goede Herder, horen we een fragment uit een discussie van Jezus met mensen die vragen of hij de Messias is of niet. Jezus praat dan over bij hem horen of niet. En hij praat over zijn schapen die hem herkennen aan zijn stem en hem volgen.

Een tekst die mooi past bij roepingen-zondag, een zondag die zoals de paus dat de afgelopen dagen duidelijk heeft gemaakt ieder van ons geldt. Daarom is de tweede lezing uit de Openbaring over die ontelbare massa uit alle volkeren en rassen en talen ook zo passend.

 

Preek
De titel van de cd is wat overdreven: ‘een stem van duizend kleuren’. Duizend is wel erg veel, maar als ik de cd opzet, begrijp ik wel waarom die titel gekozen is. Goede zangeressen en goede zangers kunnen niet alleen de noten zuiver zingen, maar kunnen die noten ook kleuren, en de zangeres op deze cd kan dat zeker: ze kleurt de noten. Zo praten we als we iets te pakken van een stem, dan zeggen we niet alleen hard of zacht, zuiver of onzuiver, warm of kil, maar spreken we ook over kleuren. Je hebt donkerbruine stemmen en staalblauwe.

Welke kleur heeft de stem van Jezus? Dat is natuurlijk een onmogelijke vraag. Onmogelijk omdat we geen opname hebben. Maar tegelijkertijd is het ook een uitdagende vraag, omdat die vraag ons aan het denken kan zetten, over het beeld dat wij hebben van Jezus, omdat die vraag het beeld dat wij hebben van de Goede Herder kan verduidelijken en misschien ook wel kan corrigeren.

Welke kleur heeft de stem van Jezus? Of moet je vragen welke kleuren heeft zijn stem. Ja, dat is, denk ik, een betere vraag: welke kleuren heeft zijn stem. Net als die zangeres op de cd, kleurt hij zijn stem naar onderwerp en gehoor, denk ik. Als hij Petrus terecht wijst en hem satan noemt, dan klinkt zijn stem anders dan wanneer hij Petrus roept en hem een visser van mensen maakt. Als hij tegen de storm op het meer om stilte roept, klinkt zijn stem anders dan wanneer hij zijn leerlingen zijn intieme gebed, het Onze Vader leert. Als hij in discussie gaat met omstanders die hem willen doden, klinkt zijn stem anders dan wanneer hij zijn leerlingen op Paasavond vrede wenst. Dat is logisch denk ik, dat past bij een goede communicator en dat is Jezus anders zouden mensen niet naar hem komen luisteren.

Wat is de kleur van de stem die wij horen? Hij praat als herder tegen ons als schapen. Dat bepaalt de kleur, de kleuren nu: die functie van hem en die situatie van ons. Hij als herder, wij als schapen. We moeten maar alle schattige beelden vergeten van jonge lammetjes in de wei, zoals ik de afgelopen week nog zag, of die romantische sfeer van een herder die op een schilderij kalm het avondrood in wandelt. Wanneer in de Schrift het beeld van de herder gebruikt wordt, gaat het om leiderschap, gaat het om verantwoordelijkheid, om verantwoordelijkheid hebben den verantwoordelijkheid nemen. Wanneer in de Schrift het beeld van de herder gebruikt wordt, gaat het om zorg, om zorg hebben voor anderen en om zorg geven aan anderen. Wanneer in de Schrift het beeld van de herder gebruikt wordt, gaat het om een contrast tussen goede en slechte herders, goede en slechte leiders.

Dat contrast kunnen we niet fundamenteel genoeg zien, omdat het niet een contrast is tussen deze minister-president of die, tussen deze paus of die, maar tussen God enerzijds en menselijke leiders anderzijds. Dat fundamentele contrast klinkt door in wat Jezus zegt. Hij is de goede Herder, de herder van Godswege, of zoals we net gehoord hebben: hij en de Vader zijn een. Het is ook niet voor niets dat in reactie op wat Jezus zegt, hij, iets verder in het evangelie (v. 33), van godslastering wordt beschuldigd en men hem wil stenigen.

Hij praat dus tot ons als iemand die verantwoordelijkheid heeft en ook neemt, Gods verantwoordelijkheid, als iemand die zorg heeft en ook geeft, Gods zorg. Dat is het verrassende en onthutsende: die verantwoordelijkheid en zorg gaan zover dat hij zijn eigen leven daarvoor inzet, dat hij zijn leven geeft. Een zorg en een verantwoordelijkheid zonder beperking of grens. Dat kleurt die stem.

Die stem horen wij als schapen. Wanneer in de Schrift gesproken wordt over mensen als schapen is dat meestal in verband met problemen: zij zijn verstrooid, zij zijn verwaarloosd, zij zijn verlaten, zij zijn vermoeid. En dat beeld past bij onze huidige situatie. De beelden uit Oekraïne gaan niet alleen over hen daar, maar ook over ons hier. Blijkbaar wordt in de Russische pers en op de Russische tv zonder enige terughoudendheid gesproken over het bombarderen van Europa en Amerika met nucleaire wapens, London en Engeland plat in een zoveel seconden. De neiging bestaat om je af te sluiten voor dat verontrustende nieuws. Maar dan wordt juist belangrijk dat de stem van Jezus de herder klinkt en doordringt. En misschien moeten we op dit punt verder gaan dan alleen praten over de kleur of de  kleuren van zijn stem van de stem, maar ook letten op wat hij zegt en vooral wat hij niet zegt, welke woorden hij niet gebruikt.

Wraak en geweld, je zelf genoeg zijn en je zelf redden, dat zijn woorden die we niet van hem horen. In de Goede Week hebben we gehoord dat anderen hem uitdagen die woorden wel te spreken en ook de daad bij het woord te voegen, maar we hebben ook gehoord dat hij in de moeilijkste omstandigheden van zijn leven dat weigert: hij verbiedt geweld als hij gearresteerd wordt, hij komt niet van het kruis af ook al sporen de toeschouwers en de man naast hem daar toe aan.

Wat zegt Jezus wel? De wil van de Vader doen, vergeven, vrede brengen, je kruis opnemen, je leven geven. Grote woorden, Maar wat betekent die concreet? Misschien helpen de stemmen die we in de afgelopen week bij de viering van 4 en 5 mei stemmen gehoord die dat afsluiten doorbreken. We hebben gehoord dat vrijheid niet vanzelfsprekend is, dat vrijheid niet als een vaststaand feit aangenomen kan worden, maar dat vrijheid telkens en voortdurend zorg en inzet vraagt. We hebben we ook gehoord over de noodzaak van een moreel kompas om onze beschaving als beschaving te laten bestaan en indrukwekkende voorbeelden daarvan gehoord van Joodse mensen die juist in concentratiekampen opkwamen voor recht en beschaving. Volgende week wordt Titus Brandsma heilig verklaard en deze week heb ik het geschrift gelezen dat hij in zijn gevangencel in Scheveningen in 1942 schreef over het verzet van m.n. het katholieke volksdeel tegen de NSB: iemand met een duidelijk kompas en met een duidelijke visie.

Nu denkt u misschien: zo’n heilige dat is toch te groot voor ons. Ik denk van niet. In wat ik nu over Titus gelezen heb, zie ik nu een gewoon mens, die graag een pijp rookte, die ook zijn beperkingen had, maar die ook iets had wat hem tot een voorbeeld maakt voor ons nu: zijn alertheid. Onachtzaamheid is het grote gevaar dat ons bedreigt, schrijft Ernst Hirsch Ballin in een tijdschrift  ter gelegenheid van de heiligverklaring van Titus dat uitgegeven is door de Nederlandse bisdommen en Karmelprovincie. Stap voor stap vinden veranderingen plaats waar we aan wennen en die normaal worden: in die omstandigheden is alertheid, achtzaamheid van belang, zodat we niet verrast worden als het (weer) te laat is, is een kompas en visie nodig, moet de stem van de Goede Herder tot ons doordringen en moeten we die stem keer op keer concreet maken.

middelste kapel roeping van Petrus DSC_3326

Preek voor de derde zondag van Pasen 2022 Cenakelkerk

Preek voor de derde zondag van Pasen 2022                                                          Herwi Rikhof

Hand. 5,27b-32.40b-41 / Joh. 21,1-19

 

Inleiding
Het evangelie van vandaag is een gedeelte dat is toegevoegd aan het evangelie van Johannes. De vorige week eindigde de lezing uit het evangelie als volgt:

“In het bijzijn van zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God en opdat gij door te geloven leven moogt in zijn Naam”

Een duidelijk slot. Daarin gebruikt de evangelist ook nog een term die als het ware een sleutel is voor zijn evangelie: ‘teken’. Daarin kijkt hij terug en maakt duidelijk maakt wat het doel van zijn evangelie is: overtuigen, tot geloof brengen. Een mooi slot dus.
Waarom dan nog een toevoeging? Uit de handschriften blijkt dat dit niet een toevoeging van eeuwen later, maar die al vrij snel gedaan is. Waarom en waarom zo’n vreemde toevoeging? Want het is een toevoeging die vol tegenstrijdigheden staat. Jezus verschijnt aan zijn leerlingen en na al die andere verschijningen herkennen ze hem niet: alsof die andere keren er niet geweest zijn. Thomas wordt met name genoemd bij de leerlingen die aanwezig zijn en we hebben toch gehoord hoe hij Jezus herkent en tot geloof komt. Het gebeurt in Galilea, maar de leerlingen waren toch in Jerusalem, ze moesten toch wachten op de komst van de H. Geest? Jezus vraagt om vis vraagt en dan blijkt hij zelf al brood en vis te hebben. De leerlingen durven niet durven te vragen ‘wie bent u’, terwijl ze het wel weten.
Wat heeft deze toevoeging voor ons te betekenen in onze situatie?

Preek
‘Ik ga vissen’ zegt Petrus. Dus terug naar het gewone. Herkenbaar, al te herkenbaar. Lange rijen op Schiphol, vluchten die, vanwege de staking onder het personeel dat voor de bagage moet zorgen voor weinig loon en onder moeilijke omstandigheden, afgezegd worden, vluchten die omgeleid worden, ook vandaag weer. Steden die mensen oproepen maar niet te komen naar de vrijmarkt omdat het te druk is. Treinen en terrassen vol. Terug naar het gewone.

‘Ik ga vissen’ zegt Petrus. Dus terug naar het begin, terug naar waar ze vandaan gekomen zijn, alsof de drie jaren met Jezus een soort onderbreking geweest zijn. Herkenbaar al te herkenbaar. De twee jaren coronapandemie heeft niet geleid tot een omkeer en was geen crisis. Dat zegt tenminste Paul van Tongeren, de denker des Vaderlands: “we zijn er niet door veranderd, daarvoor greep de pandemie niet diep genoeg in in ons bestaan. Ja, in het allereerste begin, toen waren we even verlamd van schrik en gehoorzaamden we braaf de overheid die ons de lockdown oplegde. Maar dat duurde niet lang, daarna waren we vooral ongeduldig.” Terug naar het begin na een hinderlijke onderbreking.

‘Ik ga vissen’ zegt Petrus en de andere leerlingen gaan met hem mee. Misschien ook teleurgesteld terug naar het gewone, naar het begin? Herkenbaar, al te herkenbaar. Misschien hebben ze die jaren met Jezus gezien als een kans om te ontsnappen aan de sleur van alledag, aan de benauwdheid van hun dorp, aan de toekomst die niet echt anders was dan het heden en het verleden en hebben ze nu het gevoel dat ze zich vergist hebben. De nieuwe bestuurscultuur blijkt toch niet zo nieuw te zijn. Verandering door handel, jarenlang een aantrekkelijke idee voor de buitenlandse politiek blijkt toch niet te werken als het gaat om Rusland en om China. Teleurgesteld terug vanwege de al te duidelijke naïviteit.

‘Ik ga vissen’ zegt Petrus en de andere leerlingen gaan met hem mee. Maar ze vangen niets. Heel gewoon, dat kan toch gebeuren ze hebben hun nacht niet. Iemand aan wal vraagt om vis, ook heel gewoon, dat vraag je toch als je een boot vissers terug ziet komen. Maar het is niet gewoon wat er dan gebeurt: die man aan wal vertelt vervolgens Petrus en de anderen wat ze moeten doen en ze doen het ook nog. Niet de gewone reactie van ‘man waar bemoei je mee’, of ‘de beste stuurlui staan aan wal’. Maar ze doen gewoon wat die man zegt. Waarom? Omdat je het maar nooit weet. ‘Niet geschoten altijd mis’ is niet voor niets een staande uitdrukking, een gezegde dat op een tegeltje past. Misschien, maar misschien is er meer aan de hand. Misschien speelt bij Petrus en de anderen toch diep een niet-accepteren van die teleurstelling, een niet willen accepteren, een niet kunnen accepteren dat die drie jaren met Jezus een vergissing waren, een diep verlangen naar iets anders.

In onze kerk heeft Piet Gerrits dit verhaal geschilderd in de middelste kapel en hij heeft het moment gekozen waarop Petrus aangesproken wordt door de man aan wal. Dat is tenminste hoe ik naar die schildering in de kapel kijk. Voor mij is het is de kapel van de roeping van Petrus. Dat rijmt mooi met de middelste kapel aan de andere kant, de kapel waar Piet Gerrits de roeping van Paulus heeft geschilderd. Twee roepingen, de roepingen van de twee die wel de pilaren van de kerk worden genoemd. Twee heel verschillende roepingen ook. Die van Paulus gebeurt in een flits en is hoogst dramatisch: een stem uit de hemel, Paulus valt van zijn paard, is verblind en kan niet doorgaan, of preciezer moet, mag niet doorgaan. Roeping als een breuk. De roeping van Petrus gebeurt gewoon, zoals wel vaker kan gebeuren: een suggestie van iemand aan wal, hij moet doorgaan waar hij mee bezig is, maar op een andere plek. Roeping als een aansporing niet op te geven. Twee verschillende roepingen, om duidelijk te maken dat het niet op één manier gebeurt, dat het niet op één wijze hoeft te gebeuren en misschien ook wel dat het niet op één manier kan gebeuren, omdat mensen in verschillende omstandigheden zijn.

Bij Paulus, of zoals hij dan nog heet Saul, moet wel ingebroken worden, omdat hij zichzelf opgesloten en afgesloten heeft, zoals op Paasavond Jezus ook moet inbreken bij zijn leerlingen omdat zij zich opgesloten hebben uit angst. Maar Saul heeft zich afgesloten vanwege zijn haat voor die andersdenkenden. Hij zit dan ook hier de kerk met zijn rug naar zijn leermeester Gamaliël die verdraagzaamheid jegens die volgelingen van Jezus predikt. Bij mensen die angstig zijn of haatdragend is iets stevig doorbrekends nodig om hen te kunnen bereiken.

Maar bij Petrus ligt dat anders: die hoeft niet opgebroken te worden, die is teleurgesteld, maar is wel aanspreekbaar, die staat juist door zijn teleurstelling open voor suggesties, die hunkert naar een bemoedigend, aansporend woord. En precies wat gebeurt in dit roepingsverhaal.

Waarom dat verhaal van de roeping van Petrus is toegevoegd aan het evangelie van Johannes weet ik niet, maar ik heb wel vermoedens. In de evangelies zijn de leerlingen van Jezus niet alleen maar historische figuren, in de evangelies zijn ze ook altijd modellen voor de leerlingen later, voorbeelden voor de leerlingen van alle tijden. Als we dat inzicht gebruiken komt de vraag op of wij ons kunnen herkennen in de teleurstelling van Petrus en de andere leerlingen, en of we ons ook kunnen herkennen in die hunkering die daar onder ligt.

Dat lijkt me een goede vraag in onze omstandigheden, in onze na-corona periode. Was die periode alleen maar een hinderlijke onderbreking, of merken we bij onszelf ook iets van teleurstelling?  Teleurstelling omdat we dachten dat we in die pandemie dingen ontdekt te hebben die voor ons, individueel en gemeenschappelijk belangrijk zijn en die we in de toekomst zouden willen versterken; omdat we dachten dat ook ontdekt te hebben waar we individueel en gemeenschappelijk fouten hebben gemaakt en die we in de toekomst zouden willen vermijden. Teleurstelling omdat we op een omkeer gehoopt hadden en misschien zelfs verwacht, een omkeer die er blijkbaar niet is, maar die we wel diep in ons hart zouden willen.

Wanneer Petrus ingaat op die suggestie van de man aan de wal, wanneer hij toegeeft aan dat diepe verlangen naar iets anders, worden hij en de andere leerlingen uitgenodigd voor een maaltijd, voor de maaltijd van de Heer en worden ze gevoed met nieuw leven. Wij zijn hier bijeengekomen voor de maaltijd van de Heer. Mogen wij ook gevoed worden met nieuw leven, de teleurstelling voorbij.

DSC_3444

Overweging 23-24 april 2022, Cenakelkerk

Overweging 23-24 april 2022                                          Margaret de Groot-Vlasveld

Handelingen 5, 12-16; Johannes 20, 19-31

 

Wat ons vaak in de weg staat, is het willen weten. Meten en weten. Alles willen we zeker weten, liefst beschreven met harde cijfers en feiten. Zomaar iets voor waar aannemen, is onnozel. Aan het begin van het jaar was er ongeloof over oorlogsdreiging rondom Oekraïne. Nu we de gevolgen van de oorlog aldaar dagelijks zien, zijn er bewijzen te over hoeveel slachtoffers er gevallen zijn. Het bewijs van de oorlog, die slecht invasie mag heten.

Op Witte Donderdag is er ongeloof over verraad, over overlevering, over de dood van Jezus aan het kruis. Later ongeloof over zijn verrijzenis. Veel van de verrijzenisontmoetingen worden gekleurd door ongeloof. Angst en schaamte vervullen de leerlingen. Zij klampen zich achter gesloten deuren aan elkaar vast. Beloken Pasen. De luiken gaan dicht. Bij groot verdriet kunnen wij ook onze ramen en deuren sluiten. Ongeloof over wat er gebeurd is. Anderen wil je buiten de deur houden. Vroeger bleven de gordijnen na een overlijden dicht, droeg men zwarte kleding. De tijd in huis stond stil. Als je hoort dat er ernstigs gebeurt in je leven, dat je leven wordt doorkruist, is er eerst een periode van ongeloof, van ontkenning. Het kan niet waar zijn. Pas op het moment dat je echt geconfronteerd wordt met de werkelijkheid kun je het geloven. Na het overlijden van geliefde mensen uit mijn omgeving kon ik pas geloven dat ze ECHT hun laatste adem hadden uitgeblazen, toen ik daarna zag. Een verstild lichaam, aan de grens van leven en dood.

Octaaf van Pasen, het begin van een tussentijd tussen Pasen en Pinksteren. De mensenzoon gekruisigd, de geest nog niet aanwezig, er leek geen houvast te zijn. Ongeloof en twijfel zijn zo herkenbaar, Tomas is hierin onze metgezel. Het verhaal van vandaag is overbekend, de ongelovige Thomas. Wat opvalt als je naar Jezus  kijkt is dat hij twee keer door gesloten deuren binnenkomt en driemaal tot zijn leerlingen zegt: “Vrede zij u.”. Door gesloten deuren binnenkomen is natuurlijk al even onmogelijk als uit de doden opstaan. Uit de doden opstaan en door gesloten deuren binnenkomen zijn tekenen, zegt Johannes, tekenen die zijn leerlingen en ook wij moeten zien.

En dan acht dagen later – een week heeft maar zeven dagen, de achtste dag is een nieuw begin– , op die achtste dag, vandaag misschien, zitten we dus weer bij elkaar en nu zijn alle Tomassen er bij, al die ongelovigen die zeggen van ‘ik zal het niet geloven als ik niet eerst dit of eerst dat ….’
En dan opnieuw dat woord ‘vrede’. Jezus spreekt Tomas, u en mij aan: ‘kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig’.

Tomas heeft een bijnaam, ongelovig Tomas.  Maar hij heeft ook een naam. Tomas, Didymus, dat betekent Tweeling. Het zou te maken kunnen hebben met zijn innerlijke verscheurdheid, tussen geloof en ongeloof, tussen aarzeling en overgave. Het zou ook kunnen zijn, dat zijn naam Tweeling daarnaar wijst, dat een mens alleen onvolledig is. Het geldt voor ieder mens, dat je het leven en het geloof vindt, dat je pas mens kunt worden aan elkaar en door elkaar. Geloven is niet de uitkomst van een redenering, maar de vrucht van een ontmoeting. Een menselijke ontmoeting. Verzoening en vergeving is waar Jezus van getuigt als hij zijn wonden laat zien. Niet de pijn, de gekwetstheid, de wonden hebben het laatste woord bij hem. Want vrij is een mens die zijn gekwetstheden en zijn wonden met God mag neerleggen. Door zijn helende hand, op de achtste dag,

Ook onze wonden tellen bij God, de wonden die we van nature hebben meegekregen of die we hebben opgelopen in ons leven, in onze liefde, in onze verantwoordelijkheden. Met al onze wonden en kwetsbare plekken mogen we naar God gaan. Ze worden door Hem geheeld en gerespecteerd maar niet verdoezeld, want zijn Zoon wordt erdoor getekend. Dit betekent iets voor onze levenshouding. Het is menselijk wonden te hebben en kwetsbaar te zijn. Wonden kunnen iemand fijngevoeliger maken en beter doen zien. Wonden worden littekens, soms breekt de wondpijn daar doorheen.

Waar werkelijk geleefd en gewerkt wordt, waar men liefheeft en verantwoordelijkheid op zich neemt, daar ontstaan wonden. Alleen degene die in staat is tot ontmoeting zal de wonden van anderen helpen meedragen. Onze momenten van twijfel zullen er blijven. Geloven gaat dieper dan meten en weten. Mogen we openstaan voor het ontvangen van de Heilige Geest.

Vrede zij u.  Amen.

 

 

 

 

20220327_101225

Vieringen in de Cenakelkerk in de Paastijd tot en met Pinksteren

Zaterdag 23 april – 17.00 uur
Woord- en Communieviering Beloken Pasen

Zondag 24 april – 11.00 uur
Woord- en Communieviering Beloken Pasen met zang door het Gemengd Koor

Zaterdag 30 april – 17.00 uur
Eucharistieviering 3e Zondag van Pasen

Zondag 1 mei – 11.00 uur
Eucharistieviering 3e Zondag van Pasen met zang door Basta

Zaterdag 7 mei – 17.00 uur
Eucharistieviering 4e Zondag van Pasen

Zondag 8 mei – 11.00 uur
Eucharistieviering 4e Zondag van Pasen met samenzang

Zaterdag 14 mei – 17.00 uur
Eucharistieviering 5e Zondag van Pasen

Zondag 15 mei– 11.00 uur
Eucharistieviering 5e Zondag van Pasen met zang door het Tabor Koor

Zaterdag 21 mei – 17.00 uur
Eucharistieviering 6e Zondag van Pasen

Zondag 22 mei – 11.00 uur
Eucharistieviering 6e Zondag van Pasen met zang door het Gemengd Koor

Donderdag 26 mei – 11.00 uur
Eucharistieviering Hemelvaart met zang door het Tabor Koor

Zaterdag 28 mei – 17.00 uur
Eucharistieviering 7e Zondag van Pasen

Zondag 29 mei – 11.00 uur
Eucharistieviering 7e Zondag van Pasen met zang door Basta

Zaterdag 4 juni – 17.00 uur
Eucharistieviering Pinksteren

Zondag 5 juni – 11.00 uur
Hoogmis voor Pinksteren met zang door het Gemengd Koor

Maandag 6 juni – 11.00 uur
Eucharistieviering 2e Pinksterdag met samenzang

 

  • Op dinsdag en op vrijdag is er een mis in de Taborkapel om 09.00 uur.
  • Op dinsdag 26 april en op vrijdag 29 april vervallen deze missen.
  • De missen op zondag worden tevens live uitgezonden via Youtube en door Omroep Berg en Dal.
  • De kerk is open op woensdagmorgen van 11.00 tot 12.00 uur voor stilte en gebed. Om 11.30 uur is er een Schriftlezing gevolgd door een korte meditatie.
  • Op zondag na de mis is er koffie en thee in het parochiecentrum naast de kerk.

 

 

 

 

DSC_3292

Preek voor Paasmorgen 2022 Cenakelkerk  

Preek voor Paasmorgen 2022                                                                                Herwi Rikhof

Kol.3,1-4 Joh. 20,1-18

Of ik het precies zo gezegd heb, herinner ik me niet meer, maar de journalist heeft goed gepakt wat ik in dat interview voor de Gelderlander de afgelopen week wilde zeggen: hier in de Cenakelkerk is het altijd een beetje Pasen.

Dat komt natuurlijk door de afbeeldingen in onze kerk. Het verhaal dat we net gehoord en gezien hebben, dank zij de kinderen die het verhaal van Paasmorgen gespeeld hebben, staat namelijk ook op de wand,  daar achter. Maria Magdalena met haar handen uitgestrekt om Jezus vast te pakken en vast te houden, met in haar ogen de herkenning. De man die zij voor de tuinman hield, blijkt Jezus te zijn, verrezen. En in de kapel daarnaast zie je haar naar haar vriendin en vrienden gaan om het goede nieuws te vertellen.

Maar dat komt ook door de mensen die hier samen komen, door ons. Want wij zijn Paas-mensen, mensen van de verrijzenis. Dat werd me de afgelopen weer duidelijk toen we in het kader van de Gelukzoekers – een catechese bijeenkomst van ouders en kinderen – bezig waren niet met het verhaal van Maria Magdalena. met een ander verhaal van Pasen. Dat verhaal lijkt wel een beetje op het verhaal van Maria Magdalena. Het is het verhaal van twee andere leerlingen, die teleurgesteld naar Emmaus gaan, die onderweg iemand ontmoeten die ze eerst ook niet herkennen, maar als ze vragen of hij bij hen wil blijven, blijft hij, breekt hij met hen het brood en dan herkennen ze Jezus. Zij staan ook afgebeeld in die kapel, want ze gaan terug om, net als Maria Magdalena, aan de andere leerlingen te vertellen wat hen overkomen is en wie ze herkend hebben. Op die catechese-bijeenkomst zijn de kinderen met verhaal bezig geweest in de keuken en de ouders praten erover in de Oosterse zaal. Het gesprek met de ouders kwam op: hoe vertel je nu aan kinderen op school en ook thuis waar Pasen over gaat, hoe maak je nu duidelijk dat het niet om de paashaas gaat en zelfs niet over eieren, maar waar dan wel over. Dat is niet zo gemakkelijk vonden ze.

Dat is herkenbaar, denk ik, herkenbaar voor ieder van ons: hoe lastig het is over de verrijzenis te praten, ook al is dat een van de kernmomenten van ons geloof. In de Schrift zijn de evangelisten ook heel terughoudend. Ze beschrijven de verrijzenis niet, ze beschrijven niet wat met Jezus gebeurt, ze praten wel over een leeg graf én ze praten over wat met de leerlingen gebeurt, de ontdekking die de leerlingen, het nieuwe inzicht dat ze krijgen. En dat kan misschien wel helpen om over de verrijzenis te praten. Kunnen we die ontdekking die de leerlingen doen, dat nieuwe inzicht dat ze krijgen, kunnen we dat pakken, al was het maar een beetje?

Ik denk van wel. De ontdekking die de leerlingen doen, die Maria Magdalena en de Emmaüsgangers doen, is dat ze dachten dat de dood het eind was, uit, afgelopen, dood is dood en ontdekten dat dat niet het geval was.

Dat is niet zo vreemd. Dat denken we wel vaker. Wanneer na de winter de lente aanbreekt, ben ik altijd weer benieuwd of de bomen en struiken in mijn tuin het overleefd hebben en ik ben altijd verbaasd hoeveel weer in bloei komen. Je denkt dat ze dood zijn en ze blijken toch weer tot leven te komen. Ik gebruik dat beeld Vande natuur niet zomaar. Wanneer de apostel Paulus over de verrijzenis spreekt, gebruikt hij ook dit soort beelden uit de natuur bijvoorbeeld dat iets kleins gezaaid wordt en dat iets groots eruit komt ( 1 Kor 15,35-49). Jezus doet dat ook, die praat ook over de graankorrel die moet sterven om vruchten voor te brengen (Joh 12, 24).

Dat soort gedachten leveren geen bewijs van de verrijzenis, dat soort beelden zijn geen precieze beschrijving van wat er gebeurd is op die Paas-ochtend, maar ze helpen ons om ons geloof dat de dood niet het einde is iets beter te begrijpen en maken duidelijk dat het geen onzin is.

In een uitvaart bid ik meestal aan het begin van het grote dankgebed: ‘In onze angst omdat wij moeten sterven troost ons uw belofte, dat wij eens onsterfelijk zullen zijn met Hem. Gij neemt het leven, God, niet van ons af, Gij maakt het nieuw, dat geloven wij op uw woord.’ Dat geloven we inderdaad, soms heel zeker, soms heel weifelend, dat God ons leven niet afneemt maar het nieuw maakt.

 

 

 

paaswake

Preek voor de Paaswake 2022 Cenakelkerk

Preek voor de Paaswake 2022                                                                                 Herwi Rikhof

 

De journalist vroeg of ik in de diensten van deze Goede Week ook over de oorlog in de Oekraïne zou spreken. Eerder die dag, Witte Donderdag, bleek een interview via de telefoon niet zo goed te werken, dus we spraken af hier in de kerk. Eigenlijk veel beter, want deze kerk nodigt uit tot vragen en doorvragen. En zoals dat hoort, vroeg de journalist van alles, terwijl de fotograaf foto’s maakte en mij aanwijzingen gaf waar ik moest staan en hoe ik moest kijken. Of ik ook over de Oekraïne zou spreken, vroeg dus de journalist. Ik zei dat ik dat de afgelopen weken al gedaan had, maar dat ik op deze drie dagen, die het hoogtepunt van het kerkelijk jaar vormen, dat ook zeker zou doen, omdat geloof altijd ook met de actualiteit maken heeft en je de teksten van toen en over toen niet goed kunnen lezen dan van uit het nu en over het nu. Ik vertelde dat ik op die avond over het verraad van Judas zou preken, dat ik op Goede Vrijdag de oorlog zou toevoegen in de voorbeden en dat ik vannacht, omdat de doop en de hernieuwing van de doopbeloften meer dan anders centraal zou staan – twee kinderen worden straks gedoopt en ik mag een volwassene opnemen in de onze kerk – zou preken over wat we afwijzen. Wat wijzen jullie dan af dan, vroeg hij . Ik heb toen met hem gepraat over de bekoringen van Jezus in de woestijn, de drie vragen die de duivel hem voorlegt na zijn doop in de Jordaan en die ook bij de hernieuwing van onze doopbeloften doorklinken, omdat het ook voor ons bekoringen zijn. Bekoringen die nu vanwege de oorlog van de Oekraïne een verontrustende actualiteit krijgen, merkte ik.

De oorlog in Oekraïne heeft ons allen wakker geschut en ons aan het denken gezet. We hadden de oorlog niet verwacht, we hadden geen terugkeer van de koude oorlog en van een ongekende schade aan onze economie verwacht. De oorlog in de Oekraïne zet ons aan tot een  ongemakkelijk en schurend gewetensonderzoek. Hebben we niet te veel toe gelaten, hebben we niet te veel toe gegeven omwille van de lieve vrede. Maar wat is die lieve vrede?

Maak van deze stenen brood zegt de duivel tegen Jezus en tegen ons. Wie wil nu honger? En de verleiding is groot om de economie boven aan te zetten, omwille van een goedkope gas of een lage olieprijs. De verleiding is groot om creatief te boekhouden met onze waarden die betrekking hebben op rechten van de mens. Om toch maar handel te drijven met landen waarin mensen die anders denken of die voor hun mening uitkomen in opvoedingskampen terecht komen, om toch maar te gaan sporten in landen waar arbeiders on erbarmelijke omstandigheden tegen een karig loon moeten werken.

Spring van de tempel zegt de duivel tegen Jezus en het zal je geen pijn doen. Wie wil nu pijn? En de verleiding is groot onze ogen te sluiten voor de pijn van de armoede van hen die daaronder moeten lijden omwille van ons comfort en gemak. Om onze ogen te sluiten voor de eigen pijn die het kost trouw te blijven aan je idealen, niet te gaan voor de schone schijn, in te staan voor recht en rechtvaardigheid voor allen.

Grijp de macht zegt de duivel tegen Jezus en tegen ons. Wie wil nu niet het verschil maken, invloed uitoefenen? En de verleiding is groot niet te denken aan die slachtoffers van macht en machtsmisbruik, die gewonden, die lijken op straat, die vluchtelingen in kampen, om mee te gaan met de veronderstelling dat ‘ze’ ten onrechte toeslagen krijgen en ‘ze’ ons systeem van steun misbruiken, want zo zijn ‘ze’ nu eenmaal die en die en die.

De drie bekoringen van de duivel zijn, op de keeper beschouwd hele redelijke en begrijpelijke voorstellen, voorstellen omwille van de lieve vrede, alleen het zijn niet de voorstellen die passen in het rijk van God. Dat heeft Jezus laten zien met zijn leven lijden en sterven, dat heeft zijn Vader beaamd in de verrijzenis.

 

 

20220410_124240

Die sieben letzten Worte unseres Erlösers am Kreuze (J. Haydn) op Goede Vrijdag in de Cenakelkerk

Op Goede Vrijdag pakken wij in de Cenakelkerk een mooie traditie weer op: er is een uitvoering Jezus’ Zeven Laatste Woorden aan het Kruis van Joseph Haydn, ditmaal door het Forster Kwartet.

Haydn kreeg in 1785 het verzoek bij de zeven kruiswoorden adagio’s te schrijven die door een orkest uitgevoerd zouden worden in de kathedraal van Cádiz. De bisschop zou telkens een van de kruiswoorden uitspreken, daarover preken en dan zou zijn muziek klinken. Haydn heeft dat verzoek ingewilligd en ook een versie gepubliceerd voor strijkkwartet: zijn opus 51. Het is deze versie die op Goede Vrijdag wordt uitgevoerd.

Pastor Herwi Rikhof leest bij elk van de zeven kruiswoorden een meditatie, waarna het kwartet een adagio speelt.

Goede Vrijdag 15 april om 16.00 uur.
Er wordt een bijdrage gevraagd in de kosten.

Contact

Centraal Parochiesecretariaat:

Hatertseweg 111

6533 AD Nijmegen

tel: 024 – 355 3630

e-mail:
parochiecentrum@h3eenheid.nl

Bereikbaar op werkdagen tussen 09.00-12.30 uur.