DSC_3246

Preek voor Christus Koning 2021, Cenakelkerk

Preek voor Christus Koning  2021                                                                              Herwi Rikhof

Daniël 7,13-14 / Joh. 18,33b-37

 

Dromen we in kleuren? Sommige onderzoekers zeggen van niet, anderen van wel: ze zeggen dat de meeste mensen wel in kleur dromen en zo’n 10 tot 12 % niet. De kleuren die mensen dan in hun dromen zien, zijn dezelfde kleuren als die ze overdag zien: de lucht is blauw, de trein is geel, het stoplicht rood. Er zijn ook theorieën over de kleuren, want die kleuren hebben een betekenis, maar een snelle tocht langs websites leert dat dezelfde kleur voor verschillende mensen verschillende associaties kan oproepen en verschillende betekenissen kan hebben. ‘Raadpleeg altijd meerdere websites of boeken voordat er overhaaste conclusies worden getrokken over kleuren in dromen,’ las ik op zo’n website. Niet erg informatief of beslissend: ongeveer alles kan.

Ik weet niet of ik ’s nachts droom en al helemaal niet of ik in kleuren droom. Soms herinner ik me ’s morgens iets, maar als ik probeer het me precies te herinneren, lukt dat niet, laat staan dat ik die flarden kan verwoorden en opschrijven. Maar ik ken mensen die wel duidelijk dromen, die hun nachtelijke dromen opschrijven en ook proberen te begrijpen wat die dromen te betekenen hebben.

Toen we de vorige week met de groep jongeren die zich voorbereiden op het vormsel aan het praten waren over welke verhalen uit de Schrift zij kenden en het mooiste vonden, werd ook het verhaal van Jozef genoemd die de droom van de zeven vette en zeven magere koeien kon uitleggen. Jozef is niet de enige. In zowel het Oude als het Nieuwe Testament komen we mensen tegen dromen uitleggen en die hun eigen dromen opgeschreven hebben, soms met een uitleg. Een van die teksten is een paar weken geleden door een predikant gebruikt om over corona en vaccineren te spreken als een duivels complot. Een van die teksten komen we hier elke zondag tegen wanneer we in deze kerk eucharistie vieren, in deze kerk die ‘vertaling’ is van de droom, het visioen van Johannes van het hemels Jerusalem en van de hemelse liturgie. In dat visioen klinkt de droom mee die Daniel heeft opgeschreven en die we vandaag gehoord hebben.

Van die droom van Daniel hebben we maar een stukje gehoord.  Om dat stukje te begrijpen is het wel goed iets meer over die droom en over Daniel te weten. Daniel is een van de jongemannen die door de koning van Babylon wordt meegenomen na de val van Jerusalem. Na een  training van een paar jaar wordt hij door de koning getest en aangesteld aan het hof. Hij is degene die een droom van de koning over een beeld dat op lemen voeten staat en dat door rotsblok wordt vernield kan uitleggen. Hij is ook degene die de tekst kan verklaren die plotseling tijdens een maaltijd waarbij de koning het vaatwerk uit de tempel van Jerusalem gebruikt op de wand verschijnt: gewogen en te licht bevonden staat er. En die avond wordt de koning gedood. Maar Daniel zelf krijgt ook dromen die hij opschrijft en wat we gehoord hebben is het slot van zijn eerste droom die hij opschrijft.

In die eerste droom ziet hij vier beesten, een leeuw met adelaarsvleugels, een beer, een panter met vier vleugels en vier koppen en een afschuwwekkend beest met tien hoorns met ogen. Dan wordt een hemels gericht ingesteld met een oude wijze op de troon. Dat afschuwwekkende beest wordt gedood en die andere drie werden onschadelijk gemaakt. En dan komt iemand die op een mens lijkt en die voor de troon van de oude wijze, de hoogbejaarde wordt gebracht. En hem wordt dan alle macht gegeven.

Daniel raakt in verwarring door die droom en vraagt om een verklaring. Die gaat dan vooral over de vier beesten, die vier koningen voorstellen, maar na hen zullen de heiligen van de Allerhoogste het koningschap ontvangen en voor altijd behouden (7,18.27). Maar in de uitleg staat niets over die iemand die op een mens lijkt. In de uitleg staat wel dat het om de heiligen, meervoud, gaat en niet om één persoon, maar die overgang van enkelvoud naar meervoud wordt niet uitgelegd.

Zonder nu te willen claimen dat ik – die dromen niet kan onthouden – wel dromen kan uitleggen, wil ik wel proberen iets meer te zeggen dan de uitleg die bij Daniel staat.

In de traditie van de kerk is die iemand die met de wolken van de hemel komt, begrepen als een verwijzing naar Jezus Christus. Ik begrijp dat wel en vind dat ook een mooie en diepzinnige uitleg. Het gaat er nu niet om of Daniel de komst van Jezus Christus voorspeld heeft of niet. Waar het om gaat is dat wanneer christenen die droom van Daniel zien als een droom over Jezus Christus ze iets belangrijks zeggen over Jezus Christus en over henzelf.

In de droom staan die vier beesten dus tegenover de iemand die op een mens lijkt. Die tegenstelling wordt nog onderstreept doordat die vier beesten uit de zee opstijgen en de mens met de wolken van de hemel komt. De zee is voor de Joden altijd een plek van chaos. Wanneer in het eerste hoofdstuk van Genesis verhaald wordt van de schepping, begint dat met chaos, tohoe wabohoe staat daar in het Hebreeuws, een onomatopee, een klanknabootsend woord, dat Buber meesterlijk vertaalt met Irrsal und Wirsal. Die wanorde wordt beetje bij beetje, dag voor dag, omgevormd tot een orde waaraan God zijn goedkeuring geeft. De chaos van het begin wordt een kosmos, een goede en mooie orde.

Die iemand die op een mens lijkt, komt niet zoals de beesten uit de zee, uit de chaos en komt ook niet om chaos te veroorzaken, zoals de beesten dat doen, maar hij komt met de wolken van de hemel. De hemel is de plaats van God, en de wolk is in het Oude en ook in het Nieuwe Testament een beeld voor de aanwezigheid van God. Een beeld dat tegelijkertijd iets van zichtbaars en onzichtbaars aangeeft, van ongrijpbaars ook. God trekt in een wolk met het volk door de rode zee, God neemt in een wolk bezit van de tempel, en uit een lichtende wolk klinkt op de Tabor een stem die zegt: ‘dit is mijn zoon, luister naar hem.’  In de absis is die wolk van God afgebeeld onder het kruis.

Beesten tegenover de mens, zee tegenover de hemel, chaos tegenover kosmos. Precies die tegenstelling kunnen we ook horen in het evangelie van vandaag. Daar staat Jezus tegenover Pilatus. Pilatus is de vertegenwoordiger van de Romeinse keizer, de bevelhebber van het bezettingsleger, iemand die staat in de lijn van de beesten uit de droom van Daniel. Jezus is die iemand die op een mens lijkt. Iets later in het passieverhaal van Johannes toont Pilatus de gegeselde en bespotte Jezus aan het volk en zegt dan: “ziehier, de mens”. Ecce homo.

Ook die chaos en kosmos komen terug in de evangelie-lezing van vandaag. Jezus zegt namelijk dat zijn koningschap niet van deze wereld is. Letterlijk staat er in het Grieks ‘uit deze kosmos’ ,uit deze ordening. ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld’: zijn koningschap past niet in de ordening die gewoon is in de wereld van Pilatus, zijn koningschap past niet in een ordening die met macht en onderdrukking te maken heeft.

En nu wordt die overgang van enkelvoud naar meervoud in de uitleg van de droom van Daniel van belang. Jezus staat daar niet alleen voor zichzelf, hij staat daar voor alle christenen. Hij is koning, hij gaat respectvol om met mensen, hij is bezig te werken aan een barmhartige samenleving, aan een kosmos die Gods goedkeuring kan wegdragen. Zo zijn wij koningen, moeten wij respectvol omgaan met mensen, werken aan een barmhartige samenleving.

Door de maar voortdurende corona-crisis en door alle discussies over welke maatregelen wel en welke niet, komt in alle scherpte naar voren of wij die overgang in de uitleg van de droom van enkelvoud naar meervoud willen maken, of we ons willen aansluiten bij die mens die op de wolken van de hemel verschijnt met alle consequenties van dien.

Berkenboom (2)

Boom bij Taborkapel verwijderd

Afgelopen vrijdag, 19 november, is de Betula (berkenboom) bij de Taborkapel verwijderd.

Waarom moest de boom weg?

Hij was ziek (hartrot) en dus gevaarlijk.
Hij vertoonde aftakeling en regelmatig vielen er dode takken naar beneden. Ook  veroorzaakte de boom met zijn wortelgroei, regelmatig verstoppingen in het riool.

 

Er wordt uiteraard een nieuwe boom (geen berk) voor terug geplant, met een ander wortelgestel.

20200719_122800

Overweging 13-14 november  2021 Cenakelkerk      

Overweging 13-14 november  2021                            Margaret de Groot-Vlasveld  

Daniël 12,1-3     Marcus 13, 24-32

 

Dinsdagavond luisterde ik naar een concert op Radio Vier. Het was een bewerking, hercompositie van ‘de vier jaar getijden’ van Vivaldi. The uncertain four seasons, onzekere verwachting hoe de seizoenen zullen klinken in 2050: minder soorten vogels, meer droogte, overstromingen door zware regenval en heftige stormen. Hitte, een verschraalde oogst.

Deze weken zijn door de klimaattop in Glasgow en de klimaatmars, o.a. in Amsterdam de gevolgen van de klimaatverandering onder een vergrootglas gelegd. Waar koersen we op af? Rijke landen en arme landen staan tegenover elkaar. Overheden en activisten, ze spreken een andere taal. Als er geen consensus bereikt wordt, komt het einde van de aarde in zicht.

Naast het klimaat zijn onderwerpen als de coronapandemie, wereldwijde armoede, de migrantencrisis, de ontkerkelijking in de schijnwerpers. En ik schets slechts een beperkt aantal voorbeelden. Ontmoediging, duisternis en verwarring roepen ze op. Waar gaat het naar toe met de aarde, met onze samenleving, met onze geloofsgemeenschap, wat staat ons te wachten? Hoe geven wij het leven door aan de volgende generatie?

Rampen onthullen dat het einde nabij is: hongersnood, vervolging, verwoesting, oorlog, vluchtelingenstromen, tweespalt en ontreddering. De zomer van 2021 heeft ons wakker geschud. De overstromingen in Limburg, België en Duitsland brachten veel slachtoffers. Op de grens van Wit-Rusland en Polen is er een humanitaire ramp, prikkeldraad blokkeert migranten naar een menswaardig leven. Wereldwijd leven miljoenen in armoede. De ziekenhuizen liggen weer vol met coronapatiënten, de reguliere zorg komt in het gedrang. Er zijn voorbeelden te over die de gedachte oproepen: Dit is zo erg, erger kan het niet. Dit is het einde.

Vaak wordt het dertiende hoofdstuk van Marcus als Apocalyptiek betiteld wat we kennen als eindtijd, einde van de wereld, het einde der tijden, de laatste dagen. Ook wordt het wel omschreven als openbaring, onthulling van kennis van het eind der tijden. Er worden symbolische beelden gebruikt. Het zijn geen voorspellingen wat er letterlijk in de verre toekomst zal gebeuren.  Het is de bedoeling om het wezenlijke te onthullen wat er nu al bezig is.

Toen Marcus zijn Evangelie schreef, maakten de eersten Christenen het ook allemaal mee: de verwoesting van de tempel, oorlog, vervolging en hongersnood. En in de loop der eeuwen zijn er ook vele apocalyptische voorbeelden geweest. “De zon zal verduisterd worden en de maan zal geen licht meer geven, de sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse machten zullen wankelen.”

In ons eigen leven kan ook de zon verduisteren en de sterren van de horizon van onze ziel vallen. Mensen die door depressies getroffen worden hebben vaak het gevoel dat er geen straaltje zonneschijn meer in hun hart valt om wat licht in de duisternis te brengen. Externe gebeurtenissen kunnen de ziel overmeesteren en alles duister maken. Ziekte, echtscheiding, arbeidsongeschiktheid, ruzie, conflictsituaties in een gezin of familie, het verlies van een dierbare zuigt alle vreugde weg. Er komt geen licht in het peilloze verdriet. De innerlijke veerkracht is volledig vergaan. Ook het besef dat ons leven eindig is, dat de grens van leven en dood nabij is. Waar is dan een bron van hoop te vinden?

Daniël neemt ons mee in de hoop op een leven na de dood. In de woorden zoals Marcus die weergeeft, klinken de ervaringen van de eerste christenen door.  Ze weten dat Jezus met ze meeleeft en ze vinden troost. Angst wordt overwonnen. Niet het einde van de schepping is in aantocht maar haar voltooiing. De grote zomer komt met groene eeuwigheid en de Mensenzoon gaat de oogst binnenhalen.

Jezus wijst naar een vijgenboom, de boom die in de winter zijn bladeren verliest om in het voorjaar opnieuw te ontluiken. In ons land verliezen bijna alle bomen hun blad, in het Heilig Land is de vijgenboom een van de weinige bomen die zijn bladeren verliest. De vijgenboom is de heraut van de zomer. Geloven wil zeggen: vertrouwen in de belofte van de zomer, ondanks alles. Jezus komt met een troostend beeld. Daarom is de vijgenboom in de Schrift ‘t symbool geworden van het nieuwe frisse leven. Mensen, houdt moed, want ook deze winter gaat voorbij!

De muziek van de vier jaargetijden van Vivaldi zal blijven klinken, soms uitbundig, soms in mineur. Wij zijn als mens vergankelijk. Ons lichaam zal sterven. Bij God zal onze ziel voortleven en in de liefdevolle herinnering van onze naasten. “Hemel en aarde gaan voorbij, mijn woorden zullen niet voorbijgaan.” Hij laat de bloesem in het voorjaar ontluiken en in de zomer tot volle bloei komen. Teken van hoop, soms groter dan geloof.

De Surinaamse dichter Hugo Pos verwoordt het zo:

Beloof me, kind,
als ik van hier verdwijn
treur niet om mij,
straks bloeit weer de jasmijn
en geurt de kamperfoelie.
Erger zou het wezen
als zij verdwenen waren,
– ik er nog zou zijn.

(Nestoriaanse Kwatrijnen 1)

20211107_103354

Preek voor Willibrord-zondag 7 november 2021, Cenakelkerk

Preek voor Willibrord-zondag 2021                                                             Herwi Rikhof

Jes.52,7-10 Mc 16,15-20

Wanneer het begonnen is, heb ik niet kunnen nagaan, maar nu is het in elk geval heel gewoon: elke organisatie of elke grote gebeurtenis heeft een logo. Vanaf het begin van de reclame was het wel gewoon dat een merk iets herkenbaars had: er zijn prachtige voorbeelden van advertenties aan het begin van de vorige eeuw ontworpen door gerenommeerde kunstenaars voor slaolie of cacao. En, er was ook wel zoiets als een huisstijl, het merk in bepaalde opvallende letters. Maar dat elke organisatie of grote gebeurtenis een logo had, dat is, denk ik, pas veel later gewoon geworden. Op gebouwen, op briefpapier, op folders staat een logo en in quizzen op de tv worden logo’s getoond en de deelnemers moeten dan raden naar welke organisatie of bedrijf dat logo naar verwijst: een moeder die een kind ophoog houdt tegen de achtergrond van een wereld bol – Unicef- ,  een lopende man op een rode cirkel met daarin een wijzer – de Rabobank – , een grote gele schelp  – Shell. Ook wij als parochie hebben een logo: drie halve groene cirkels die met elkaar een cirkel vormen, een verwijzing naar de beroemde icoon van Roeblev van de drie engelen op bezoek bij Abraham en Sara, de icoon die ook in onze kerk staat. Een logo dat op onze website staat, op ons briefpapier en enveloppen, in het colofon van de Triptiek en op de speciale boekjes die we voor onze liturgie maken. Dat logo is ontworpen na de fusie en is ook de vertaling van de naam van de nieuwe parochie, Heilige Drie-eenheid.

Op twee universiteiten waarbij ik gewerkt heb, had of heeft het logo van die universiteit met Willibrord te maken. Het logo van de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht (KTUU) was gebaseerd op het ruiterstandbeeld van Willibrord op het Janskerkhof: Willibrord als monnik op een stevig paard met een kerk in zijn hand. En hier in Nijmegen staat onder het wapen de weinige woorden die Willibrord eigenhandig geschreven heeft aan het eind van zijn leven in wat nu de codex van Echternach genoemd wordt, in nomine dei feliciter. Bij het nieuwe bestuursgebouw  – het oude Berchmanianum – is dat wapen met de woorden in een groot rood reliëf afgebeeld in de binnenplaats. Ook in het logo in Utrecht stonden woorden, ook latijn, in via veritatis, die later om een of andere reden, tot mijn spijt verdwenen zijn. Over die twee korte Latijnse zinnetjes, in nomine dei feliciter ‘in de naam van God gelukkig’ en in via veritatis ‘op de weg van de waarheid’ wil ik wat zeggen.

Ook al valt de naam van God niet, in via veritatis ‘op de weg van de waarheid’,  is een door en door religieus motto. Het is een verwijzing naar dat gezegde van Jezus in het evangelie van Johannes: ‘ik ben de weg, de waarheid en het leven’, of, zo kun je dat gezegde ook verstaan: ik ben de ware levensweg. Een tekst die tot de kernteksten van ons geloof behoort, die Willibrord ongetwijfeld gekend heeft en die op een of andere manier tot de pit van zijn verkondiging in onze streken heeft behoord. De ware levensweg, onze ware levensweg, is Christus volgen. Dat motto past mooi bij dat ruiterstandbeeld op het Janskerkhof. Het paard staat namelijk in beweging afgebeeld, zoals dat beroemde ruiterstandbeeld in Rome van keizer Marcus Aurelius: een been omhoog en de drie andere benen op de grond. Ik ken ook beelden waar het paard stil staat, vier benen op de grond of waar het paard steigert met de twee voorbenen in de lucht, maar in Utrecht dus min of meer rustig in beweging.

In via veritatis heb ik net vertaald met ‘op de weg van de waarheid’  maar je kunt het volgens mij ook nog anders vertalen: ‘op weg naar de waarheid’. Die vertaling heeft mijn voorkeur, niet alleen omdat die past bij de studie van de theologie, waar je gelovig op zoek bent naar inzicht, maar ook omdat hij past bij elke gelovige van overal en alle tijden, maar zeker voor ons, in onze omstandigheden. Ik merk bij anderen en ook bij mezelf een regelmoeheid – moeten we echt weer terug naar de linten in de kerk en maar 60 mensen, van te voren opgeven, naar niet meezingen – maar ook een brede moedeloosheid rond de corona-pandemie – houdt die pandemie dan nooit op-  en dan kan zo’n motto ‘op weg naar de waarheid’ ons als gelovigen helpen in beweging te blijven en te blijven zoeken naar de ware levensweg in onze omstandigheden.

In nomine Dei feliciter. Ik heb die vier woorden van Willibrord vertaald met ‘in de naam van God gelukkig’. Ik heb ook andere vertalingen gevonden. “In Godesnaam houzee’” zo vertaalt de eerste rector magnificus van de Katholieke Universiteit in 1923 die vier woorden. Op een recente website van de Radboudumc, waar informatie staat voor kinderen die een spreekbeurt willen houden over het (kinder)ziekenhuis, vond ik “Mogen wij in Gods naam gelukkig voortgaan.” Zowel in die oude vertaling en als in die nieuwe zit een element dat ik wel begrijp maar dat ik niet in die oorspronkelijke Latijnse formulering terug hoor: dat ‘hou zee’ en ‘mogen wij voortgaan’. Daarmee worden die woorden van Willibrord een soort motto voor toekomstig gedrag, iets voor de toekomst, terwijl ik het eerder een uitdrukking vind die met het heden te maken heeft. Hoe belangrijk de toekomst ook is – de conferentie over het klimaat in Glasgow toont dat maar al te duidelijk – de ervaring van het heden is ook van belang. Ik wil ze niet tegen elkaar uitspelen, maar hoe je de toekomst ziet, wat je in de toekomst wil doen of laten, dat heeft wel van alles te maken met hoe je je nu voelt, hoe je het heden ervaart. Als je nu ellendig voelt, of angstig, of als je nu goed voelt, vol energie: dat bepaalt hoe je de toekomst ziet, als een dreiging of vol vertrouwen. Willibrord voelt zich blijkbaar gelukkig. En nu wordt ook van belang onder welke omstandigheden hij die woorden schreef: aan het eind van zijn leven, zijn lange leven. Hij is geboren in 658 en op 7 november 739 gestorven, dus 81 jaar geworden.

Ik vind het altijd mooi en indrukwekkend wanneer mensen bij een ziekenzalving of in gesprekken over hun sterven en uitvaart terugkijken op hun leven en dan zeggen dat het een mooi leven is geweest, wel met ups en downs, maar toch mooi. Ze kijken terug op hun – meestal lange – leven en beoordelen dat als goed, ze zijn er tevreden mee en ze zijn er dankbaar voor. Wanneer Willibrord in Echternach die woorden in nomine dei feliciter schrijft staat hij aan het eind van zijn lange leven, een leven dat, voor zover we dat weten, niet altijd gemakkelijk is geweest, waarin hij grote teleurstellingen heeft meegemaakt en dan zeg ik het nog aardig. Meer dan teleurstellingen. Hij zag zijn levenswerk, de opbouw van een christelijke geloofsgemeenschap te midden van een heidense omgeving, vervliegen toen de Friezen in opstand kwamen tegen de Franken en alles wat hij letterlijk en figuurlijk opgebouwd had, kapot werd gemaakt. Je kunt je nauwelijks indenken wat voor impact dat op hem heeft moeten hebben, maar misschien kunnen we door de coronacrisis dat toch een beetje meevoelen, de crisis die al onze gewoonten en plannen doorkruist heeft en waarvan de grote gevolgen nog steeds niet duidelijk zijn. Nadat in 717 de Franken de Friezen verslagen hadden, kon hij opnieuw beginnen en dat deed hij ook, 60 jaar oud. Maar die grote tegenslag is terugkijkend blijkbaar niet bepalend geweest voor hem, voor zijn leven, want hij schrijft feliciter, gelukkig.

Als Willibrord dat feliciter, dat gelukkig schrijft, dan voegt hij er in nomine dei aan toe, ‘in de naam van God.’ In die twee vertalingen die ik noemde, staat in ‘Godesnaam’, ‘in Godsnaam’, maar ‘in godsnaam’ heeft in ons gewone spraakgebruik een bepaalde, haast ongeduldige klank gekregen. Ik denk dat bij Willibrord helemaal niet mee geklonken heeft. Daarom vertaal ik liever met ‘in de naam van God’. Dan klinkt de formule van het doopsel door, ‘ik doop jou in de naam van .. ‘ en ook de formule waarmee we onze gebeden vaak beginnen en daarbij een kruis maken: i’n de naam van …’ . Zo verstaan plaatst Willibrord zijn leven en werken, zijn succes en zijn tegenslagen in kader van God.

Zegt hij dan ‘gelukkig’ omdat dat wel zo hoort voor een bisschop. Ik denk van niet, ik denk dat hij daarmee zijn diepe geloofsovertuiging aangeeft: dat wanneer je jouw leven met al zijn wederwaardigheden in het kader van God plaatst het wel goed, gelukkig moet zijn. Een geloofsovertuiging die niet vanzelfsprekend is, die ook niet inhoudt dat God overal wel voor zal zorgen en dat jij dus niets hoef te doen (vaccineren of zo). Maar een geloofsovertuiging dat God ook in tegenslagen – en dat kunnen we allemaal sociaal en persoonlijk invullen –  aanwezig is. Gelukkig maar.

20211031_122839

Even geen koffie na de vieringen

Vanwege het toenemende gevaar voor besmetting met het coronavirus nemen we in onze kerk weer een aantal preventieve  maatregelen:

  • Draag een mondmasker bij  binnenkomst van de kerk (dit mag af als u op uw plaats zit)
  • Houd 1,5 m afstand in de gangpaden, maar zeker ook in de banken
  • Helaas is er ook even geen koffie na de vieringen

Laten we met zijn allen het virus buiten onze kerk houden.

Alvast dank voor uw medewerking.

 

20201101_160231

Preek voor Allerheiligen-Allerzielen 2021 Cenakelkerk

Preek voor Allerheiligen-Allerzielen 2021                                                                                 Herwi Rikhof

Apokalyps 7,2-12 / Mt. 5,1-12a

 

Elke keer denk je, nee, niet nog meer, niet nog meer onthullingen over de belastingdienst, de toeslagen affaire. Niet nog meer mensen getekend voor het leven door een onduidelijk aanklacht, door administratieve blunders, door een diepgeworteld wantrouwen. Elke keer denk je niet nog meer onthullingen over seksueel misbruik niet alleen bij de kerk, maar ook op scholen, bij sportverenigingen. Niet nog meer mensen getekend voor het leven. En dan heb ik het maar niet over de gevolgen van corona, omdat we wel vermoeden of weten dat mensen door die pandemie getekend zijn voor het leven, maar hoe omvangrijk dat is, weten we nog niet.

Mensen getekend voor het leven, door het leven, zijn dat die 144.000 uit de eerste lezing? En worden ze dan nu beloond? Is de hemel de plek waar het onrecht dat op aarde heeft plaats gevonden goed gemaakt wordt, zo in de trant van als je het hier moeilijk hebt gehad dan krijg je het daar gemakkelijk, wat je hier tekort gekomen bent, krijg je daar in overvloed. Of misschien nog een stapje verder, pas als je het hier slecht hebt, krijg je het daar goed. Is dat het feest dat we vieren? Is dat ons geloof?

Of is er iets anders aan de hand? Ik denk van wel en de lezingen geven daarvoor suggesties en aanwijzingen. Die mensen zijn getekend met het zegel van God. Getekend met een zegel. Dat is niet zoiets als een goede waardering van Tripadvisor of een Michelin-ster, dat is eerder zoiets als en zegel dat de koning meegaf aan iemand die namens hem ergens moest optreden. Het zegel van God dragen is vertegenwoordigers van God zijn, is God aanwezig laten zijn. Maar hoe dan? Het antwoord daarop kunnen we vandaag vinden in de andere lezing, de lezing uit de Bergrede, de zaligsprekingen.

Die getekenden zijn de armen van geest. Die getekenden zijn de mensen die niet arrogant zijn, die niet zelfvoldaan zijn, niet overlopen van eigendunk, dat zijn de mensen die zichzelf niet de grootste, de belangrijkste beschouwen. De armen van geest dat zijn de mensen die weten dat ze er nog lang niet zijn, die weten dat ze niet volmaakt zijn, die weten van hun eigen tekortkomingen en grenzen. De armen van geest dat zijn de mensen die hulp durven vragen, omdat ze er alleen niet uitkomen.

Die getekenden zijn de treurenden. Die getekenden zijn de mensen die hun verdriet niet wegstoppen, maar die het verlies dat ze geleden hebben, man of vrouw overleden, vriend of vriendin verloren, duidelijk laten blijken. De treurenden dat zijn de mensen die na een paar maanden, na een paar jaren nog durven zeggen dat ze iemand missen, die de verjaardagen blijven vieren van de overledenen.

Die getekenden zijn die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Die getekenden zijn de mensen die het niet kunnen hebben dat iemand slecht wordt behandeld, omdat die er anders uitziet, omdat die niet zo slim of snugger is. Die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, dat zijn de mensen die geen rust hebben, ‘s nachts er wakker van liggen omdat ze iemand gekwetst hebben, afgesnauwd hebben, links hebben laten liggen.

Die getekenden zijn de barmhartigen, Die getekenden zijn de mensen die niet over lijken gaan in hun werk, in hun loopbaan; dat zijn de mensen die niet alleen op de cijfers letten, de financiële risico’s, de omzet. De barmhartigen, dat zijn de mensen die op mensen letten. De barmhartigen dat zijn de mensen die zo veel plaats in hun hart hebben dat een ander er nog bij kan.

Die getekenden zijn de vredestichters. Die getekenden zijn de mensen die zich niet in de stroom van wraak en wraak laten trekken, maar die cirkel doorbreken, die geen verwijten blijven maken, maar vergeven.

Misschien komt nu de bij u gedachte op (en dat zou mooi zijn): als dát getekend zijn betekent, dan wil ik wel zo getekend zijn door mijn leven, voor mijn leven. Dat komt dan goed uit: 144.000 betekent niet dat de zaak gesloten is, integendeel, 144.000 is 12 x 12 x 1000 en dat betekent iedereen, nooit afgesloten. Ieder van ons kan daar bij horen. Ieder van ons hoort daar bij.

20211024_121218

Overweging  23-24 oktober 2021, Cenakelkerk

Overweging  23-24 oktober 2021                                                              Margaret de Groot-Vlasveld

Jeremia 31, 7-9; Marcus 10, 46-52.

Sinds de zomer van 2017 is onze Cenakelkerk een van de locaties van het grootste museum van Nederland. Het initiatief van het Catharijne Convent om 18 gebedshuizen bekender en toegankelijker te maken voor het grote publiek. De geselecteerde kerken en synagogen blinken uit door hun bijzondere geschiedenis, architectuur en kunstwerken. Vele parochianen zetten zich in om als vrijwilliger aanwezig te zijn om de gasten, die in groten getale komen, te ontvangen. Iedereen kijkt zijn ogen uit.

Dat is het doel van de meeste musea, om naar beeldende kunst te kijken waarbij de afbeelding, of het visuele, voorop staat. In Nijmegen is er een museum dat ons meeneemt naar een andere wereld. Het MuZIEum is een ervaringsmuseum over zien en niet zien.  Bij een bezoek kijk je niet je ogen uit, je ziet er helemaal niets. Je hoort, ruikt en voelt om de wereld van het niet zien te ervaren.

Vorige week zaterdag stond in de Gelderlander dat burgemeester Bruls, met begeleiding van een gids, een wandeling maakte met een speciale bril op waardoor hij blindheid ervaart bij de toegankelijkheid van het stationsplein voor slechtzienden en blinden. Met als doel om deze groep uit hun isolement te halen en ze maatschappelijk volwaardig erbij te betrekken. Bruls realiseerde zich hoe ingewikkeld het is om boodschappen te doen, te lopen en te reizen. Zelf heb ik het nog niet aangedurfd om te MuZIEum te bezoeken. Ik voel een zekere spanning om in die duisternis te stappen.

Onze ogen zijn veruit de belangrijkste zintuigen. Bij het ouder worden is goed zien minder vanzelfsprekend. Met dank aan oogartsen en opticiens is er veel mogelijk. We dragen bijna allemaal een bril, hebben een staaroperatie ondergaan of anderszins. Toch is dit niet voor iedereen weggelegd en bij slechtziendheid die niet te verhelpen is, wordt de wereld kleiner en ben je afhankelijk van je omgeving.  Dat is een periode van rouw.

De blinde bedelaar, die door Marcus met naam wordt genoemd, Bartimeüs, heeft geen uitzicht op een gewoon leven, zoals de anderen. Hij wordt buitengesloten. Weggezet, langs de kant van de weg. Hij wordt toegesnauwd om zijn mond te houden. Ook de leerlingen storen zich aan hem. Bartimeüs heeft geen zicht op wat er om hem heen gebeurt, hij heeft alleen gehoord dat Jezus door de straten van Jericho loopt. Hij heeft wel het inzicht dat dit moment een wending aan zijn blindheid kan geven. Hij roept luidkeels: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij’. Het zwijgen wordt hem opgelegd.

Rondom ons heen zijn er voorbeelden luidkeels roepen, roepen om gezien te worden. In deze weken zien we de toestroom van Afghaanse vluchtelingen die vragen gezien te worden. Om verlost te worden uit onderdrukking. Mondjesmaat worden ze gehoord. Ons veilige en comfortabele leven is heilig. Wat moeten we zelf opgeven om een helpende hand te reiken aan diegene die roept?

Bartimeüs laat opnieuw van zich horen en hij roept nog veel harder: ’Zoon van David, heb medelijden met mij!’. Hij krijst zijn verlangen eruit, tegen de verdrukking van de mensen in.  Zijn situatie lijkt uitzichtloos.

Jezus is op dat moment waarschijnlijk met zijn gedachte bij wat hem te wachten staat. In het volgende hoofdstuk van het evangelie gaat hij naar Jeruzalem. Hij heeft uitzicht op zijn lijdensweg, het maakt hem kwetsbaar door het inzicht dat hij die weg alleen moet gaan. Toch blijft Jezus staan en wil dat Bartimeüs naar hem toekomt. En de houding van de omstanders draait als een blad aan de boom om. Ze sluiten hem niet meer buiten, ze bemoedigen hem. Voor de blinde bedelaar is dat een moment van erkenning, hij is gezien. Hij werpt zijn mantel af, nog voordat hij geneest. Het is een teken dat hij zijn oude leven los kan laten, de vernedering en afhankelijkheid van zich af kan werpen.

Er ontstaat een gesprek tussen beide mannen. Het is een dialoog met een vraag en een wedervraag.  ‘Zeg maar, wat kan Ik voor u doen’, vraagt Jezus.  Het antwoord aan Jezus is als aan een vriend: ‘Rabboeni, maak dat ik kan zien’. Rabboeni heeft de betekenis van ‘mijn meester’. En vanuit die vertrouwensband geneest Bartimeüs. Hij mag er zijn. Vanuit het innerlijk weten, het inzicht op het vooruitzicht, sluit hij zich aan bij Jezus en de leerlingen.

Durven u en ik het aan om onze mantel af te werpen, onze ogen te openen en Jezus te volgen op zijn weg naar Jeruzalem? Amen.

 

Slotgedachte:

God, bron van leven,

wie zijn hier de blinden,

van wie zijn er de ogen dicht;

Wie kan nog Uw waarheid vinden,

Wat gaf Bartimeüs weer het licht?

 

Vanuit de diepte klonk een Kyrie Eleis;

U luisterde en bleef staan.

Naar kruis en opstanding op reis,

hoorde U een diep verlangen aan.

 

Zonder speeksel, handen of gebaar

maar door geloof, in ontmoeting

was het wonder daar.

De mantel van blindheid is afgeworpen.

 

God, bron van leven,

wie ziet dat hij U volgen moet

zal weten wat op aard’

er werkelijk toe doet.

U bent het licht in ons leven,

Open mij voor uw liefde. Amen.

 

Leerlingen op weg naar Hemelvaart

Preek voor de 29ste zondag door het jaar – 17 oktober 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 29ste zondag door het jaar 2021                                               Herwi Rikhof
Jes. 53,10-11  Mc. 10,35-45

 

Het boek lag al een tijdje op een van de stapeltjes die her en der in mijn kamer en studeerkamer te vinden zijn. Stapeltjes boeken die ik nog niet gelezen heb en die ik wel soort bij soort heb liggen wachten: romans, detectives, boeken over kunst en geschiedenis en boeken die met spiritualiteit en theologie te maken hebben. Dit boek lag op dat laatste stapeltje. Ik koop meestal een boek omdat ik een recensie gelezen heb of omdat iemand mij het heeft aangeraden. Van dit boek weet ik het niet meer, waarschijnlijk een van mijn Amerikaanse vrienden. Het is geschreven door een columnist van de New York Times, David Brooks en de titel is: The Second Mountain. Het is in het Nederlands vertaald:  De tweede berg. De inleiding heb ik direct gelezen. Daarin legt hij die titel uit. Intrigerend en uitnodigend om verder te lezen, maar toen kwam er iets tussen en kwam het boek op het stapeltje.

Ik heb het nu weer op mijn bureau liggen en ik ben het aan het lezen en wel om een paar redenen.

Allereerst had ik deze week een doopgesprek, waarin de vader, een man van begin dertig heel kort iets over zijn werk en zijn leven vertelde en dat deed me terug denken aan wat ik van dat boek gelezen had. Deze week hebben we ook voor het eerst in twee groepen uit het evangelie Lucas gelezen, het verhaal over het Laatste Avondmaal. In de versie van Lucas hebben de leerlingen een discussie over wie de belangrijkste is, een discussie die in het evangelie van Marcus onderweg plaats vindt, zoals we net hebben gehoord. En ook die discussie deed me denken aan dat boek. Vervolgens wordt in dit weekend in alle bisdommen van Nederland begonnen met het synodale proces. Een van de grote thema’s is gemeenschap, een thema dat door de corona-crisis extra belangrijk geworden is, hebben we gemerkt en gemeenschap staat centraal in het laatste deel van dit boek.

De titel, The Second Mountain, de tweede berg is een pakkend beeld dat heel goed de inhoud treft. De tweede berg roept natuurlijke de eerste berg op, suggereert een contrast. Die eerste berg verwijst naar wat voor de meeste mensen, zeker aan het begin van hun leven, vanzelfsprekend is: een antwoord op de vraag wat wil je worden. Het gaat om dan om je talenten te ontwikkelen, duidelijk te maken wie je bent en wat je voorstelt, denken over een huis en een gezin, over werk en een carrière, het krijgen van kinderen het opbouwen van een vriendenkring, vakanties. plannen En dan gebeurt er iets, waardoor dat gewone patroon doorbroken wordt, waardoor het gewone leven in duigen valt of om bij dat beeld van de berg te blijven, waardoor de mensen in een dal terecht komen: er gaat iets mis met de baan, met het huwelijk, met de kinderen, ziekte.

Er zijn mensen die in dat dal verpieteren, die verongelijkt door het leven gaan en hun ongeluk koesteren, en er zijn mensen die de tweede berg op gaan. Maar die tweede berg is een andere dan de eerste en deze mensen worden door die tweede berg te beklimmen in zekere zin andere mensen. Ze realiseren zich dat ze betere mensen zijn dan het ego-ideaal dat zo bepalend was voor de eerste berg. ‘Beter dan hun ego-ideaal’: Brooks citeert hier Henri Nouwen. Brooks zegt ook dat deze mensen ingaan tegen idealen die in de cultuur dominant zijn en die te maken hebben met dat ego: geld, macht, roem, onafhankelijkheid, vrijheid.

Die tweede berg is in zekere zin anders dan de eerste, zei ik. Voor sommigen is die berg echt anders: ze gaan een heel ander leven leiden, nemen een andere baan, vertrekken naar een ander land. Voor anderen is het een voortzetting van het oude leven maar met andere accenten: het gaat niet meer om henzelf, om hun reputatie, carrière, status, maar om anderen, en om een groter, gemeenschappelijk goed.

Brooks geeft ook aan dat je de eerste berg anders beklimt dan de tweede. Op de eerste berg ben je ambitieus, denk je strategisch, gedraag je je onafhankelijk. Op de tweede berg ben je in relaties, zoek je intimiteit en ben je vasthoudend.

The Second Mountain is geschreven door een Amerikaan en dat is te merken aan de voorbeelden en soms ook wel in de stijl van redeneren, maar dat beeld van die twee bergen en de thema’s die Brooks eraan verbindt zijn ook herkenbaar voor ons, denk ik. Dat beeld van de twee bergen past bijvoorbeeld goed bij het evangelie van vandaag en ook bij de eerste lezing.

Eerste lezing komt uit de profeet Jesaja en is een gedeelte uit een lied over de dienaar van de HEER, teksten die vanaf het begin van onze traditie zijn toegepast op Jezus, de man van smarten. Het zijn teksten die altijd schuren, ook – en misschien wel vooral – als we gedeelten daaruit lezen tijdens de gebedsdienst op Goede Vrijdag. Vandaag blijf ik haken bij de laatste zin: hij zal zich belasten met hun fouten. Dat is precies wat Brooks in dat boek beschrijft, dat mensen die de tweede berg opgaan niet een gemakkelijk leven tegemoet gaan: omdat ze kiezen voor anderen, voor dat gemeenschappelijk goed, zijn hun dagen gevuld met verzoeken en verplichtingen, met de anderen. Hij citeert dan de schrijver C.S. Lewis die opmerkt dat de last van mijn buurman dagelijks op mijn schouders gelegd zou moeten worden, een last die alleen maar door nederigheid gedragen kan worden. Nederigheid tekent die dienaar van de HEER.

In het evangelie gebruikt Jezus twee andere beelden voor die twee bergen: de beker drinken en gedoopt worden. Net als bij dat beeld van die bergen gaat het om een verschuiving van betekenis. De tweede berg is anders dan de eerste.

‘De beker drinken’ roept, normaal gesproken, iets op van feest , glas wijn of zo, of een terrasje. Maar hier wijst die beker die Jezus drinkt vooruit naar het gebed dat hij later in de Hof van Olijven bidt. Het gebed waarin hij vraagt dat de beker van het lijden aan hem voorbij mag gaan, maar waaraan hij meteen toevoegt dat het niet om zijn wil, om zijn ego gaat – de eerste berg- , maar om de wil van God zijn Vader. Die beker gaat niet voorbij.

En met het doopsel gedoopt worden roept, normaal gesproken, het begin op, de doop van Jezus in de Jordaan. Straks zal ik een kindje dopen dat aan het begin van zijn leven staat. Maar Jezus zegt hier niet waarmee ik gedoopt ben, maar waarmee ik gedoopt word. En zo roept dat doopsel waar Jezus over spreekt niet zozeer het begin op, maar vooral het einde, het lijden, de dood. Paulus heeft dat prachtig verwoord in een tekst die we altijd in de paasnacht lezen, waarin hij de doop van ons christenen vergelijkt met het sterven en verrijzen van Christus en waarin hij de doop van de christen ziet als doodgaan aan het oude leven – de eerste berg- en verrijzen tot een nieuw leven – de tweede berg.

Vanwege de corona-crisis kunnen we nog steeds niet ter communie gaan zoals we gewend waren: door de hostie te dopen in de kelk. Ik heb dat altijd een mooie en diepzinnige gewoonte gevonden. Maar ook al doen we dat vandaag niet, vandaag klinkt wel mee: “kunnen jullie de beker drinken die ik drink. Kunnen jullie net als ik die tweede berg op gaan, durven jullie dat?”

20211010_122446

Preek voor de 28ste zondag door het jaar 13 oktober 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 28ste zondag door het jaar                                                     Herwi Rikhof

Wijsheid 7,7-11 / Mc. 10,17-30

 

Inleiding
Het valt mij telkens weer op hoe verschillend je de verhalen van en over Jezus kunt lezen. Dat ligt aan die verhalen. Die zijn nooit eenvoudig, maar altijd verrassend en gelaagd. Maar dat ligt ook aan mij, aan ons. Want hoe je leest, hoe je hoort, hoe je kijkt hangt ook altijd samen met wat je meegemaakt hebt en meemaakt. Het evangelie van vandaag kun je lezen als een verhaal over rijkdom en dan kunnen in dat verhaal de discussies meespelen over de enorm hoge energieprijzen waardoor weer een tweedeling in onze maatschappij dreigt. Je kunt blijven hangen bij het slot van het evangelie en je gedachten maken over misbruik dat van dat slot van is gemaakt: mensen arm houden, met de belofte van de hemel. Ik lees het vandaag een beetje anders, ik lees het evangelie als een verhaal over het eeuwig leven en als een verhaal over hoe je in geloof goede vragen moet stellen.

 

Preek
Over mijn computer kijk ik de tuin in en ik zie ik de wingerd rechts rood gekleurd, zie ik dat de bladeren al afvallen, ik zie de fluweelboom aan de andere kant geel gekleurd en ik zie ook nog een paar rozen in een laatste bloei. Op het net dat ik over de vijver heb gespannen liggen al bladeren. Misschien komt het door het weer, afgelopen week een paar keer harde regen en vandaag de zon, mist in de morgen en misschien al nachtvorst, misschien komt het door dat weer dat zo duidelijk de wisseling van seizoenen laat zien, dat het evangelie van vandaag voor mij een verhaal is over leven en dood, over eeuwig leven.

Misschien komt het door de herfst, maar misschien nog meer door ziekte en aftakeling, die ik in mijn omgeving meemaak, – weer iemand met kanker, weer iemand met Alzheimer, weer iemand met Parkinson -, dat ik ben blijven haken bij de vraag van die man: ‘wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?’ Want die vragen komen op als de zomer voorbij lijkt te zijn, terwijl je het gevoel hebt dat de zomer toch te kort is geweest. Die vragen komen op wanneer je weet dat er nog zoveel had moeten, had kunnen gebeuren in het leven van die of die. Die vragen komen op wanneer je zaken waarvoor je je hebt ingezet, ziet verdwijnen – wat zijn de gevolgen van corona voor de kerk, hier en breder? Die vragen komen op wanneer mensen onverschillig blijken over wat jou ter harte gaat. Die vragen komen ook op wanneer alles zo zijn gangetje gaat en je in een flits je afvraagt: ‘is dit nu alles?’ Eeuwig leven, het verlangen naar een voortduren omdat het allemaal zo kort is, een verlangen naar blijven, omdat het allemaal zo vluchtig voelt.

‘Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?’ vraagt de man in het evangelie. Hij zal er ook wel meegezeten hebben, die man. Hij heeft alles en heeft ook alles gedaan wat hij moest doen en nu, wat nu? ‘Is dat nu alles’ zal hij zich misschien afgevraagd hebben. En daarom de vraag aan Jezus. Hij doet dat heel beleefd, hij weet hoe het hoort. Aardige, sympathieke, herkenbare man.

De reactie van Jezus is wat vreemd, als je er over nadenkt, onaardig ook, onbeschoft haast. Alsof hij die man inschat als iemand met luxeproblemen, zoals er mensen zijn die naar de dokter gaan voor de interessantigheid, met een pijn die ze niet hebben. ‘Waarom noem je mij goed?’ en dan geeft Jezus als antwoord maar het rijtje van de geboden, als een soort standaard antwoord op een vraag die toch niet echt is, een soort dropwater-antwoord.

Maar de man houdt aan, want voor hem, voor mij, voor ons, is het een echte vraag: die vraag naar het eeuwige leven. En dan verandert Jezus’ houding: hij kijkt die man goed aan en begint hem sympathiek te vinden. Hij lijkt ineens de echtheid en ook de urgentie van de vraag te herkennen. Maar, hij herkent ook nog iets anders, hij herkent ook iets in de manier waarop die man zijn vraag stelt: wat moet ik doen, en, wat moet ik doen om deel te krijgen, om te verwerven. Die man vraagt naar het eeuwig leven, zoals hij blijkbaar gewend is naar van alles en nog wat. Hij vraagt economisch: hoe krijg ik dat in mijn bezit? Hoe wordt dat van mij? Hoe kan ik erover beschikken?

Dát herkent Jezus, en daarom zegt hij: ‘ga verkopen wat je hebt en volg mij’. Ik denk dat Jezus daarmee wil zeggen: als je echt het eeuwig leven verlangt, dan moet je niet denken dat dat eeuwig leven nog iets extra is, iets dat na al die dingen komt die je gedaan hebt, een soort toetje, omdat je alles braaf opgegeten hebt. Als je echt het eeuwig leven wil, dan moet je anders vragen, anders in het leven staan, dan moet je je houding van hebben en verwerven vergeten, dan moet je zelfs je houding van hebben en verwerven wegdoen. Want het eeuwig leven is geen kwestie van hebben, het is een kwestie van liefhebben. En tussen hebben en liefhebben zit een wereld van verschil.

En nu moet u niet denken: o daar heb je het weer: lief zijn voor elkaar en zo. Nee, nu gaat het om iets anders, iets diepers: het eeuwig leven, het leven met de eeuwige of zoals Jezus het ook heel eerbiedig formuleert ‘het koninkrijk rijk van God’ is op de eerste plaats niet een kwestie van ons, van wij die liefhebben, maar of wij ons willen laten liefhebben, of wij zo’n mentaliteit hebben, dat wij God toelaten en dan niet straks, aan het eind van ons leven, na ons leven, maar nu al. Als je echt het eeuwig leven wil, dan moet je open, dan moet je ontvankelijk in het leven durven staan.

Ik denk dat Jezus zoiets zegt, omdat het past bij andere uitspraken, misschien wel het meeste bij het bidden dat hij ons leert. Het Onze Vader is een groot vraaggebed en eeuwig leven is met de vragen van dat gebed leven. Eeuwig leven is met die vragen leven en zo God toelaten in ons ons leven. Eeuwig leven is de kwaliteit van leven die nu al aanwezig is, aanwezig kan zijn.

In de afgelopen week heb ik bij de dominicanessen het feest gevierd van Maria van de Rozenkrans. Voor de dominicanessen en dominicanen in Nederland een belangrijk feest want dat is hun patroonsfeest. Op die dag waren er geen speciale lezingen, maar lazen we gewoon de lezingen van de dag, het evangelie waarin in Jezus nadat hij zijn leerlingen het Onze Vader heeft geleerd hen aanspoort om te blijven zoeken en vragen. Als wij onze kinderen niet iets slechts willen geven, hoeveel te meer zal onze Vader in de hemel ons dan niet de Geest geven als we erom vragen, zegt hij.

Die lezing kreeg op dat feest voor mij een bijzondere dimensie, vanwege het gebed dat bij de rozenkrans hoort: het Wees gegroet, of preciezer vanwege wat in dat gebed waarin we Maria vragen voor ons te bidden verzwegen wordt. Het begint met de groet van de engel Gabriel, het vervolgt met de groet van haar nicht Elisabeth, maar wat daar tussenin gebeurt wordt verzwegen: het ja-woord van Maria op de belofte dat de heilige Geest in haar zal werken. Maria heeft die belofte gehoord en heeft God laten liefhebben. Het is goed dat wij haar vragen voor ons te bidden.

Contact

Centraal Parochiesecretariaat:

Hatertseweg 111

6533 AD Nijmegen

tel: 024 – 355 3630

e-mail:
parochiecentrum@h3eenheid.nl

Bereikbaar op werkdagen tussen 09.00-12.30 uur.