Jezus en leerlingen 20210801_120426

Preek voor de 18de zondag door het jaar 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 18de zondag door het jaar 2021                                                         Herwi Rikhof

Ex. 16, 2-4.12-15 / Joh. 6, 24-35

 

Inleiding
De vorige week zijn we begonnen in dit jaar, waarin we op de gewone zondagen uit het evangelie van Marcus lezen, met een aantal aanvullingen vanuit het evangelie van Johannes. Het evangelie van Marcus te kort is om voor al die gewone zondagen voldoende teksten te leveren. We lezen niet wat losse stukken uit Johannes maar een verhaal van een teken en discussie over dat teken. Vorige week hebben we dat verhaal gehoord, het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging, vandaag horen we het eerste gedeelte van de discussie. In dat eerste gedeelte gaat het om brood uit de hemel, en in die discussie over brood uit de hemel wordt verwezen naar een gebeurtenis uit de tijd dat het Joodse volk in de woestijn rondtrok op weg naar het land van belofte. Het verhaal over die gebeurtenis horen we als eerste lezing.

Preek
Het was een discussie zoals wel vaker: een discussie tussen collega’s. Maar de ingehouden felle toon gaf aan dat het om meer ging dan een puur academische kwestie over woordjes of zo. Het was een discussie tussen een exegeet, iemand gespecialiseerd in het Nieuwe Testament, en een systematisch theoloog en die theoloog was ik. Het ging over het hoofdstuk uit Johannes waaruit we deze weken lezen. Nu horen discussies thuis in het beoefenen van wetenschap en niet alleen discussies met naaste vakgenoten, maar ook met collega’s van andere vakgebieden en van ook heel andere disciplines. Die discussies voorkomen dat je als wetenschapper blinde vlekken krijgt of dat je bepaalde uitgangspunten en vooronderstellingen niet bevraagt maar klakkeloos overneemt. Die discussies kunnen je ook verrijken met nieuwe, onverwachte inzichten. Ik heb die discussies met collega’s altijd op prijs gesteld, of het nu discussies waren met exegeten of met historici, met sociologen of met psychologen, met kenners van andere godsdiensten of met vakgenoten uit andere kerken. Ze verrijkten me en hielden me scherp en kritisch naar mijn eigen opvattingen. Maar deze discussie over het zesde hoofdstuk van Johannes was anders, en daarom herinner ik me die ook zo goed.

Wat was er anders? Daar is niet zo makkelijk de vinger op te leggen. Misschien dat die collega wat onvriendelijke formuleringen gebruikte, waardoor ik in de verdediging schoot en dezelfde polemische taal ging gebruiken. Maar het moet dieper gelegen hebben. Ik denk nu dat het te maken had met een onderscheid dat ik wel eens genoemd heb en dat voor mij als systematisch theoloog, maar ook als pastor en gelovige belangrijk is geworden: het onderscheid tussen de Bijbel en de H. Schrift. De Bijbel is een verzameling teksten uit het oude Midden Oosten, die je kunt en moet lezen zoals je andere oude teksten uit andere culturen kunt en moet lezen: met kennis van de originele taal, van de historische en de culturele omstandigheden waarin ze ontstaan zijn. Maar wanneer je die verzameling teksten als de Heilige Schrift beschouwt, zoals hier in de liturgie, als woord van God- zalig die het woord aanhoort … – dan gaat meer mee klinken: dan gaat het om het woord van God dat van alle tijden is, dat telkens in de geschiedenis van de kerk geklonken heeft en dat nu voor ons klinkt. Mijn collega was, om zo te zeggen, met de Bijbel bezig en vond dat ik als theoloog te ver ging door deze tekst uit het Johannes evangelie als Heilige Schrift te lezen, of preciezer dit hoofdstuk als een tekst over de eucharistie te lezen. Dat was volgens hem onzin.

Nu is zo’n kritiek op zich niet vreemd. Wij weten maar al toe goed dat teksten uit de Bijbel met het argument dat het woord van God is misbruikt worden, om slavernij goed te praten, of apartheid, of niet-vaccineren. Maar in dit geval vond en vind ik die kritiek niet terecht. Niet omdat in de lange traditie van de kerk die tekst uit Johannes altijd gelezen is in verband met onze viering van de maaltijd van de Heer, maar omdat daar ook goede argumenten voor zijn.

Er zijn maar een paar verhalen die in alle vier de evangelies voorkomen: het doopverhaal is er een van en het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging is een ander – en natuurlijk het verhaal van het lijden, sterven en verijzen van Jezus. En precies die verhalen, doop en wonderbare broodvermenigvuldiging/ laatste avondmaal, zijn de basis voor de twee sacramenten die alle christelijke kerken gemeenschappelijk hebben: doop en eucharistie/avondmaal. Natuurlijk is er een verschil tussen de tekst van dat zesde hoofdstuk van Johannes en een uitgewerkte theologie van de eucharistie, maar er ook een verband. Deze tekst kan ons helpen bij onze viering van de eucharistie, omdat deze tekst, als ik zat zo mag zeggen, bouwstenen bevat voor het beleven van de eucharistie hier en nu. Bouwstenen die te maken hebben met ‘brood uit de hemel’ En, omdat in het evangelie nadrukkelijk naar de eerste lezing verwezen wordt, wanneer het gaat over brood uit de hemel, kan die eerste lezing ons ook helpen.

‘Ik zal brood voor u laten regenen uit de hemel’. Dat zegt God tegen Mozes, wanneer de Joden morren en terug verlangen naar de vleespotten van Egypte. Terugverlangen naar het oude en vertrouwde, bang zijn voor het onverwachte en nieuwe. Maar dat brood dat uit de hemel regent is geen brood dat ze kennen of herkennen: dat brood uit de hemel is een fijn korrelige laag, is iets dat ze nog nooit gezien hebben. ‘Wat is dat’ vragen ze dan ook, ‘manna’. En dat wordt de term voor dat brood uit de hemel. ‘Israël noemde het brood manna’ staat iets verder geschreven (Ex 16, 31). En ook in de psalm die we gebeden hebben, wordt dat brood uit de hemel manna genoemd. Dat is het eerste opvallende: die vraag ‘wat is dat’ wordt de benaming van dat brood uit de hemel. Het brood uit de hemel roept vragen is, sterker nog, is een vraag en blijft een vraag. In de woestijn leven de Joden dus van een vraag, van iets dat niet duidelijk is, niet vanzelfsprekend.

Dat lijkt me ook een eerste belangrijke bouwsteen te zijn voor onze beleving van de eucharistie, wanneer wij hier brood uit de hemel krijgen. Ook wij leven dan van een vraag, van iets dat niet duidelijk is en niet vanzelfsprekend. In onze traditie wordt dat erkend en dan valt altijd een bepaalde term: ‘mysterie’. Ook in de liturgie. Als ik na de consecratie brood en kelk omhoog houd, zeg ik: ‘zie dan dit brood, zie deze beker van het nieuw verbond, dit is het mysterie van ons geloof’. In het boekje staat het iets anders, maar wordt ook ‘mysterie’ gebruikt: ‘verkondigen wij het mysterie van het geloof’.

‘Mysterie’, dat is een term die gewoonlijk iets oproept van onbegrijpelijk en die misschien een ontmoediging suggereert: begin er maar niet aan, je zult het toch nooit begrijpen. Maar wanneer we hier in de kerk ‘mysterie ‘gebruiken is dat juist niet de bedoeling: om te stoppen met zoeken en vragen. We gebruiken hier ‘mysterie’ om aan te zetten tot verder zoeken, zoals we ook door iets of iemand gefascineerd kunnen zijn, daardoor juist aangetrokken worden om er meer van te willen weten, om iets of iemand beter te leren kennen.

In het verhaal over het manna in die woestijn staat nog een bouwsteen voor onze beleving van de eucharistie. In het verhaal staat nadrukkelijk dat de Joden brood krijgen voor één dag, als een soort testcase voor vertrouwen in God. In het gedeelte dat direct volgt op onze lezing staat dat er toch mensen zijn die meer nemen dan voor één dag, blijkbaar God niet vertrouwen. De volgende dag is het bedorven en Mozes is woedend.

Ik zou dat element van één dag niet alleen willen zien als een test voor ons vertrouwen in God, maar ook als een waarschuwing tegen onze neiging om duidelijke en vooral definitieve antwoorden te willen krijgen. Natuurlijk zijn duidelijke en definitieve antwoorden van belang, bijvoorbeeld als het om roosters voor treinen gaat bijvoorbeeld – dat hebben we deze week nog kunnen merken -, maar misschien niet als het om leven met God gaat. Voor dat leven moeten we elke dag opnieuw open staan, omdat het niet vast ligt, maar verrassend is.

Lezenaar brood en vis 20200805_145954

Preek voor de 17de zondag door het jaar 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 17de zondag door het jaar 2021                                       Herwi Rikhof

2 Kon. 4,42-44 / Joh. 6,1-15

 

Inleiding
In dit jaar, waarin we op de gewone zondagen uit het evangelie van Marcus lezen, lezen we de komende zondagen uit het evangelie van Johannes, omdat het evangelie van Marcus te te kort is om voor alle zondagen genoeg materiaal te leveren. Het evangelie van Johannes dus als aanvulling. Maar dat klinkt gemakkelijker dan het is, want deze twee evangelies verschillen nogal in opzet en stijl. Het evangelie van Marcus kun je lezen als een verhaal over een weg die in de woestijn begint en in een leeg graf eindigt en midden op die weg vraagt Jezus aan zijn leerlingen en aan de leerlingen van alle tijden: wie ben ik? Het evangelie van Johannes kun je lezen als een verhaal over zeven tekenen met telkens een discussie over die tekenen en in die discussie zegt Jezus dan een aantal keren: ik ben.

In het evangelie van vandaag horen we over een teken dat Jezus doet; op de komende zondagen horen we de discussie naar aanleiding van dit teken en horen we Jezus een paar keer zeggen: ik ben het brood van leven.

 

Preek
Je kon het de afgelopen week niet missen, dat vanaf eergisteren de Olympische spelen in Tokio gehouden worden. Of ze wel of niet zouden doorgaan was een tijdje geleden al een punt van discussie, maar toen eenmaal duidelijk werd dat de Japanse regering vanwege economische redenen besloten had ze door te laten gaan, hield die discussie niet op, integendeel ze werd heftiger en er bleef tegenstand. De prognose van 48 medailles voor Nederland tegenover 55% van de Japanners die coronabestrijding belangrijker vinden dan wedstrijden. En dan waren er ook nog schandalen: een reeks medewerkers op het hoogste niveau die werden ontslagen vanwege verkeerde opmerkingen of verkeerde grappen of pesterijen. Maar eergisteren zijn ze dan toch geopend, een spektakel in een bijna leeg stadion. Het binnen brengen van het olympisch vuur en het ontsteken van de grote toorts, het binnen brengen van de vlaggen, het herdenken van de coronaslachtoffers en van de Israëlische sporters die in München door Palestijnse terroristen werden vermoord. In het commentaar viel herhaaldelijk het woord symbool en dat klopt: het vuur, de vlaggen, de dansen, ongeveer alles wat je zag had een extra betekenis, een reden, een gelaagdheid.

Wanneer Johannes een verhaal vertelt doet hij dat op de manier van die opening in Tokio. Alles wat hij zegt heeft een extra betekenis, bijna niets is wat je op het eerste gehoor denkt. Het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging komt bij alle vier de evangelisten voor en bij alle vier is het al niet een gewoon verhaal. Bij alle vier vallen getallen: vijf, twee, twaalf. Toevallig? Nee. Symbolisch? Ja.

‘Vijf’ dat roept de vijf boeken van Mozes op, de Wet, een van de kernen van wat wij het Oude Testament noemen. Die vijf broden roepen daarmee verhalen op, het verhaal van de schepping en het verhaal van de uittocht, die roepen de tien geboden op, al die zaken die wij nodig hebben voor het leven, om goed te leven. En twee vissen, die roepen Mozes en Elia op, de vertegenwoordigers van de wet en de profeten, de twee grote leiders. Mozes die de Joden uit Egypte voert, uit de slavernij naar de vrijheid, en Elia die er tegen vecht dat de Joden, wanneer ze in hun land zijn aangekomen, God vergeten. Mozes en Elia, de twee groten die al die woorden waarmaken. En twaalf, dat roept de twaalf stammen van Israël op, het volk dat wil leven van de wet van God, dat die wet wil waarmaken.

Die getallen – vijf, twee, twaalf – roepen het verbond op van God met zijn volk, dat voortdurende aanbod van God tot omgang en zorg, maar ze roepen ook de wispelturige geschiedenis van het volk van God op, al die keren dat het volk, van hoog tot laag  andere paden gaat. En ze roepen de belofte op van een nieuw verbond. Precies dat gebeurt in dit symbolische verhaal: een nieuw verbond.

Alle evangelisten hebben dit verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging, alle evangelisten hebben het over vijf broden en twee vissen en twaalf manden. Maar Johannes voegt een paar elementen toe aan het verhaal waardoor het verhaal over het nieuwe verbond nog extra diepte krijgt. Alleen Johannes merkt op dat het vlak voor Pasen is. Alleen Johannes vertelt dat het een jongetje is dat dat eten bij zich heeft. Een jongetje, eigenlijk zou je moeten zeggen, grut, zo klein dat je nog niet eens goed kunt zien of het een jongetje of een meisje is. Alleen Johannes vertelt dat hij gerstebrood bij zich heeft. Gerstebrood, dat is het brood van de armen, brood dat je nauwelijks brood kunt noemen Alleen Johannes vertelt dat hij gedroogde vis bij zich heeft. Gedroogde vis, het goedkoopste van het goedkoopste. Wat bedoelt Johannes hier met die toevoegingen: vlak voor Pasen, dat jongetje van niks, dat brood van niks, dat beleg van niks? Haast lege handen.

Om dat te ontdekken moeten we bij het begin beginnen. Bij de grote menigte op zoek naar geluk, bij al die mensen met pijn in lichaam en ziel, in hart en geest, de mensen die zien dat Jezus geneest en daarbij willen zijn, genezen willen worden. Een menigte van alle tijden en van alle streken. Wanneer Jezus al die mensen ziet, al die pijn, al die vragen, al die verlangens, dan vraagt hij eerst de leerlingen, zijn helpers, wat te doen met zoveel vragen, zoveel pijn.

Die apostelen reageren zoals we gewoon zijn te reageren bij problemen: we zoeken een oplossing op een praktisch, technisch niveau, wij zoeken een oplossing op het niveau van geld en organisatie, op het niveau wat wij kunnen doen. In veel gevallen moet dat natuurlijk ook zo, moet die modder van de overstromingen verwijderd worden, moeten huizen hersteld worden, moeten mensen opgevangen worden. Natuurlijk moeten vaccins ontwikkeld worden en beschikbaar komen voor zoveel mogelijk mensen wereldwijd. Maar als het gaat om meer dan modder, meer dan vaccins, als het gaat om de grote vragen van het leven, om vragen naar geluk, de vragen naar wat moet ik nu doen in mijn leven, dan schiet die praktische reactie tekort. Wanneer de leerlingen dat merken, dan pas ontdekt Andreas dat kleine ding van niks met brood van niks en met die vis van niks, dan pas komt Andreas met de oplossing van de haast lege handen. En daarmee kan Jezus wat doen. In die ruimte van de haast legen handen een nieuw verbond aanbieden.

Wanneer wij de maaltijd des Heren vieren, ons het laatste avondmaal vlak voor Pasen herinneren, wanneer wij zoals Jezus toen op die vlakte, – brood nemen, het zegenen, het breken -, worden wij het in het licht van dit verhaal van Johannes gevraagd om met lege handen te durven staan, om niet te snel de gewone antwoorden, de voor de hand liggende antwoorden te geven, maar met lege handen te durven staan, zodat God ze kan vullen, zodat het nieuwe verbond werkelijkheid kan worden. Het evangelie van vandaag heeft niets aan actualiteit verloren. Integendeel. Deze coronatijd vraagt om de durf, de moed met lege handen te staan en niet terug te vallen op de ‘gewone’ reacties.

 

Sterrenhemel uit film 2021-07-20 (2)

Overweging 17-18 juli 2021 Cenakelkerk

Overweging 17-18 juli 2021                                             Margaret de Groot-Vlasveld

Efeziërs 2, 13-18  Marcus 6, 30-34

 

Zomervakantie, tijd van spelletjes. Die rode doos met een sacherijnige man met de titel: Mens, erger je niet.  Die woorden sluiten aan bij het oude Nederlandse gezegde: Ergert u niet, maar verwondert u. Het vraagt een omslag om zo om te gaan met nieuws en situaties die vragen en soms irritaties oproepen.

In de lezing van Paulus aan de Christenen van Efeze wordt gesproken over Vrede die zonder scheidingsmuur twee werelden één maakt. In deze brief wordt het onderscheid gemaakt tussen Christenen uit het Jodendom en zij die eerst heiden waren en zich bekeerden. Er was in de tempel in Jeruzalem een tussenmuur die heidenen buiten het binnenste deel van de tempel hield. Hier wordt verwezen naar de Joodse wet van de geboden.

Uit het scheppingsverhaal weten we dat de geest van God zweefde over de wateren. Op de tweede dag zei God: ‘Er moet een uitspansel zijn tussen de wateren, een afscheiding tussen het ene water en het andere’ En God maakte het uitspansel; Hij scheidde het water onder het uitspansel van het water erboven. Het uitspansel noemde God Hemel.’

Een scheiding is tussen aarde en hemel, het uitspansel dat boven ons is. We omschrijven het nu als heelal. Het heelal is voor wetenschappers interessant om nader te onderzoeken. Er is in de ruimtevaart veel geëxperimenteerd, met en zonder succes. We hebben er zelf ook profijt van. Er zijn tal van nieuwe technologieën, zoals internet, mobiele telefonie, medische innovaties etc. daardoor verwezenlijkt. We kunnen deze viering uitzenden via livestream en u kunt er buiten deze kerk naar kijken.

Toch zit er bij mij een ergernis als ik beelden zie over de ruimtewedloop tussen drie miljardairs Branson, Bezos en Musk.  Branson was de eerste vorige week zondag. Bezos vertrekt dinsdag a.s. Aan boord is o.a. een Nederlandse 18-jarige jongen, die hier zijn leven lang al van gedroomd heeft! Deze drie ijdele mannen geven miljoenen uit voor een pleziervlucht van enkele uren om op 100 km boven de aarde even gewichtsloos te zijn. Een wedloop die uiteindelijk lijkt te gaan op media-aandacht voor PR en Marketing.

Mijn ergernis zit in de scheidsmuur die opgetrokken wordt tussen deze ruimtevluchten die voorbijgaan aan de menselijke maat van het aardse. De aarde wordt door de klimaatveranderingen zwaar beproefd. De enorme regenval met overstromingen in Limburg, België, delen van Duitsland en Luxemburg spreekt boekdelen. De beelden hiervan, met tientallen doden en vermisten raken ten diepste. De bosbranden en droogte in andere delen van de wereld. We hebben onze aarde te leen en die mogen we doorgeven aan de generatie na ons. Wijzelf hebben de opdracht om door onze leefwijze aan te passen en daardoor proberen te redden wat er te redden valt. Door al deze problemen is er voor 60 miljoen mensen niet voldoende eten, geen vaccinatie tegen levensbedreigende ziekten, geen schoon drinkwater. Deze voorbeelden zijn een fractie van wat er verder aan problemen speelt.

In onze tijd zetten wij ook muren neer. Mensen bouwen voortdurend muren om anderen buiten te sluiten. We hebben weet van de scheidingsmuur tussen Oost en West-Berlijn. Er is in Israël een muur opgetrokken om de Palestijnen buiten te sluiten. En de macht van de vorige President om een muur te bouwen tussen de Verenigde Staten en Mexico, die in wording was. Maar denk ook aan de muurtjes, hekken en schuttingen die wij overal tussen eigen achtertuinen optrekken. Naast deze fysieke muren zijn er allerlei andere manieren van uitsluiting. Muren tussen mensen van verschillende afkomst, seksuele geaardheid, geloofsrichting etc. Muren te over die ons weghouden van vrede en innerlijke rust. Door alle eeuwen heen lukt het niet om vrede te bereiken, om muren af te breken. Jezus is gekomen en heeft vrede verkondigd. Jezus houdt keer op keer die verschillen voor. In alle verhalen uit de H. Schrift wordt ons een spiegel voorgehouden.

In het Evangelie wordt duidelijk dat wie volgeling van Jezus wil zijn twéé dingen moet doen die samen hem tot leerling maken. De balans vinden tussen er op uit trekken, naar mensen, het goede doen en te onderwijzen en tussen zich terug te trekken, de stilte in, naar zichzelf en de ontmoetingsplaats met God. Alleen daar kan rust gevonden worden.

Bij ons christenzijn hoort een andere cultuur te heersen dan bij de cultuur van de wereld. We hebben onderricht nodig, iedere dag weer, om de contrasten te herkennen tussen beide culturen.

Als we dit verschil herkennen en erkennen durven we ons te verzoenen met onze opdracht. We dragen ieder ons kruis mee. Als verwondering het wint van ergernis en verzet, is ons kruis te dragen. Zonder muur om ons heen, ontvangen we de kracht van de H. Geest om in vrede toegang te krijgen tot de Vader. Amen.

 

Slotgedachte

(Dit gebed wordt aan meerdere schrijvers, o.a. aan Franciscus van Assisi, toegeschreven)

 

Geef me de moed om te veranderen wat ik kan veranderen.

Geef me de wijsheid om te accepteren wat ik niet kan veranderen. 

Geef me het inzicht om het verschil tussen beide te zien

 

 

 

 

 

 

Glas in Lood raam Cenakelkerk 20210526_163523

Vieringen juli en augustus in de Cenakelkerk

Zaterdag 3 juli 17.00 uur
Eucharistieviering

Zondag 4 juli 11.00 uur – Sacramentsdag
Eucharistieviering met zang door leden van xxx

Zaterdag 10 juli 17.00 uur
Eucharistieviering

Zondag 14 juli 11.00 uur
Eucharistieviering met zang door leden van Basta

Zaterdag 17 juli 17.00 uur
Woord en Communieviering

Zondag 18 juli 11.00 uur
Woord en Communieviering met zang door leden van het Taborkoor

Zaterdag 24 juli 17.00 uur
Eucharistieviering

Zondag 25 juli 11.00 uur
Eucharistieviering met zang door Jozien en Hettie van der Borg

Zaterdag 31 juli 17.00 uur
Eucharistieviering

Zondag 1 augustus 11.00 uur
Eucharistieviering

Zaterdag 7 augustus 17.00 uur
Woord en Communieviering

Zondag 8 augustus 11.00 uur
Woord en Communieviering

Zaterdag 14 augustus 17.00 uur  – Maria ten Hemelopneming
Eucharistieviering

Zondag 15 augustus 11.00 uur  – Maria ten Hemelopneming
Eucharistieviering met zang door leden van het Gemengd Koor

Zaterdag 21 augustus 17.00 uur
Eucharistieviering

Zondag 22 augustus 11.00 uur
Eucharistieviering met zang door Jozien en Hettie van der Borg

Zaterdag 28 augustus 17.00 uur
Eucharistieviering

Zondag 29 augustus 11.00 uur
Eucharistieviering met zang door leden van het Taborkoor

 

Goed om te weten

  • Om aanwezig te zijn bij de vieringen op zaterdag en zondag meldt u zich van tevoren aan via de site. Dit kan vanaf maandag voorafgaand aan de viering. Als dit niet lukt kunt u zich van maandag tot en met vrijdag telefonisch aanmelden bij het secretariaat in de ochtenduren: 024-322 2165. Klik hier om te reserveren
  • In de kerk dient u zich te houden aan de coronaregels. Uw naam wordt afgevinkt bij binnenkomst, handontsmetting staat klaar en de plaatsen zijn op anderhalve meter afstand. Er zijn 65 plaatsen beschikbaar.
  • De doordeweekse vieringen zijn op dinsdag- en vrijdagmorgen om 09.00 uur in de Taborkapel.
  • Op woensdag is de kerk open voor gebed van 11.00 uur tot 12.00 uur. Om 11.30 uur is er een lezing uit de Schrift met een korte meditatie.
  • De vieringen op zondag kunt u ook live volgen via YouTube. Klik hier om te kijken
  • De zondagse vieringen worden tevens live uitgezonden via Omroep Berg en Dal.

 

 

 

 

DSC00069 (2)

Preek voor de 15de zondag door het jaar 2021  Cenakelkerk

Preek voor de 15de zondag door het jaar 2021                                        Herwi Rikhof

Amos 7,12-15 / Mc. 6,7-13

 

Eigenlijk hadden we een ander verhaal gepland. Toen we het programma maakten voor een serie catechesebijeenkomsten voor kinderen en ouders was er nog geen sprake van een tweede golf en leken bijeenkomsten weer mogelijk. Het thema dat we gekozen hadden had te maken met reizen en met het leven als een reis. Het verhaal dat op de eerste avond zowel bij de kinderen als bij de ouders centraal zou staan was het verhaal van Abram die wegtrekt uit zijn vertrouwde omgeving een onzekere en onduidelijke toekomst tegemoet. Bij de eerste bijeenkomst moesten de kinderen op blote voeten door bakken lopen met water, modder, kiezelstenen enz. Dat kon gelukkig in de gang van de pastorie zonder al te veel toestanden. En de ouders die konden rustig in de Oosterse zaal met koffie en thee die reis van Abram vertalen naar hun eigen leven. Maar na die eerste bijeenkomst verstoorde corona ons mooie programma. Een paar weken geleden was het weer mogelijk een bijeenkomst te hebben, de laatste van dit jaar. Voor die laatste avond hadden we het verhaal van de barmhartige Samaritaan gepland als het sluitstuk van allerlei reisverhalen uit Oude en Nieuwe Testament. Maar omdat we die andere verhalen niet hadden gelezen, leek ons dat verhaal toch niet zo goed en kozen we voor het verhaal van Jezus die zijn leerlingen twee aan twee uitzendt. Het evangelie van vandaag, of preciezer het eerste gedeelte van dat evangelie. Die avond hebben we dat korte verhaaltje gelezen en besproken: de kinderen in de keuken, de ouders in de tuin van de pastorie: het was een van die mooie zomeravonden half juni. Toen de kinderen klaar waren, kwamen ze ons opzoeken in de tuin, elk met een grote wandelstok.

Hoe kort dat verhaaltje ook is voldoende elementen voor een gesprek toen en voor een preek nu. Het eerste wat opvalt is dat Jezus grote nadruk legt op wat zijn leerlingen niet als bagage mee moeten nemen. Natuurlijk zegt hij ook wat ze wel mee kunnen nemen – daar kom ik zo op -, maar hij vindt blijkbaar wat ze niet mee moeten nemen van groot belang. Waarom? Als je hoort wat hij zegt wat ze niet mee moeten nemen is dat zeker op het eerste gehoor vreemd: hoezo geen voedsel, geen reiszak, geen geld? Hoe kun je nu op reis gaan zonder die spullen? Misschien gaat het niet om die concrete spullen, maar om de mentaliteit die uit die spullen spreekt. Ik moet altijd wat lachen om mensen die naar het buitenland gaan en dan de auto of caravan volladen met eten en drinken, blikken met groente, zakken aardappels. Durven ze daar niet naar de markt of de supermarkt te gaan, wantrouwen ze het eten daar? Vertrouwen ze alleen wat ze kennen? Illustraties van dat gezegde: “wat de boer niet kent …” Misschien heeft het verbod van Jezus daar mee maken en wil hij verhinderen dat zijn leerlingen alleen gepakt en gezakt door het leven willen gaan, alleen op zichzelf en op hun eigen meningen vertrouwen en wil hij juist bevorderen dat ze onbevangen, met open ogen en lege handen door het leven gaan, dat ze zich laten verrassen door wat en wie ze tegenkomen op hun reis, dat zij zich kunnen laten verrassen.

Ik wil nog even stil blijven staan bij ‘geen reiszak’. Dat is een term die ik ook wel eens in overdrachtelijke zin hoor. Dan gaat het niet over handbagage of zo, maar over wat iemand meedraagt en dat is dan meestal negatief bedoeld. Negatieve ervaringen uit het verleden die doorwerken in het heden. Ik denk niet dat Jezus tegen zijn leerlingen zegt dat ze dat soort negatieve ervaringen niet hebben: dat zou onrealistisch zijn. We hebben allen dat soort ervaringen. Ik denk ook niet dat hij zegt dat ze dat soort negatieve ervaringen moeten wegwuiven: dat is ook onrealistisch. Maar ik denk dat hij weet hoezeer dat soort ervaringen kunnen verlammen en dat hij van zijn leerlingen vraagt dat niet te laten gebeuren. Dat gaat niet vanzelf of gemakkelijk. Daarom noemt hij het ook: omdat het zo moeilijk is. Daarom leert hij ze ook in het Onze Vader bidden: ‘zoals wij anderen vergeven’.

Maar Jezus verbiedt niet alleen, hij geeft ook advies om iets wel mee te nemen. Wel sandalen, wel een stok. Als je ooit in het Heilig Land bent geweest, weet je waarom. Er liggen nu natuurlijk allerlei wegen, er is nu openbaar vervoer: als pelgrim word je met een comfortabele bus van de ene heilige plek naar de andere gebracht. Maar als wat verder kijkt dan de snelweg zie je een ongemakkelijk landschap waar sandalen en een stok nodig zijn om je gaande en staande te houden. En nu wordt ook van belang wat Jezus niet nadrukkelijk zegt maar wel nadrukkelijk doet: hij zendt zijn leerlingen twee aan twee uit. Twee aan twee. Vanwege de gezelligheid? Praat onderweg of zo? Misschien. Maar ik denk eerder vanwege steun en hulp, wederzijdse steun en hulp. Om te zorgen dat de leerlingen op hun tocht elkaar overeind houden, elkaar over de onvermijdelijke dode momenten heen dragen en samen op weg blijven gaan.

Ik heb nu dat kleine verhaaltje niet alleen gelezen als een verhaaltje over Jezus die zijn leerlingen uitzendt, maar ook als een verhaaltje over ons en over ons leven, onze levensreis. Dat is niet vreemd dat het ook over ons gaat, omdat we altijd hier verhalen uit het verleden horen als verhalen over ons. Het is ook niet vreemd dat het over onze levensreis, onze levensweg gaat. Dat is een thema dat bij ons geloof hoort: dat wij in ons leven op weg zijn, hoe je dat ook verder invult: op weg naar het beloofde land, op weg naar het hemels Jerusalem, op weg naar het huis waar plaats is voor velen, op weg naar God.

Dat thema van ons leven als een weg, als een reis is een belangrijk thema, gelovig thema en zoals bij elk gelovig thema horen daar vragen, soms fundamentele vragen bij. Niet iedereen in onze maatschappij ziet haar of zijn leven zo, als een reis met een heel bepaalde bestemming, als een weg met de duidelijk doel. Die mensen zijn voor ons als het ware vragen die van buitenaf komen. Waarom zie je je leven zo? Maar door de coronamaatregelen is dat vanzelfsprekende van reizen verder onder druk komen te staan, haast van binnen uit. Door de versoepelingen leek dat vanzelfsprekende weer terug te zijn – paginagrote advertenties als vanouds voor all-in vakanties in de zon – maar door de recente ontwikkelingen zijn die versoepelingen gedeeltelijk teruggedraaid en is het reizen naar het buitenland niet meer vanzelfsprekend geworden. Daarmee wordt het vanzelfsprekende van het evangelie van vandaag dat Jezus zijn leerlingen uitzendt, minder vanzelfsprekend voor ons. Je leven zien als een reis is niet vanzelfsprekend, is een keuze en door onze omstandigheden een bewust keuze. Kiezen we ook voor die visie?

Door de coronacrisis krijgen die de elementen die ik net genoemd heb ook nog een aparte scherpte, zowel voor onze geloofsgemeenschap als voor ieder van ons individueel. Heeft de coronacrisis ons niet geleerd dat bagage overbodig kan zijn en welke bagage we goed kunnen missen? Heeft de coronacrisis ons niet geleerd hoe fnuikend die houding kan zijn om bepakt en gezakt door het leven te gaan, welke bagage ons eerder belemmert dan ons helpt voor te gaan? En misschien wel vooral: hebben we in die coronacrisis niet ontdekt hoe belangrijk het is twee aan twee te gaan, elkaar over die onvermijdelijke dode punten heen te helpen en te steunen en gaande te houden. Het reisadvies van Jezus aan zijn leerlingen is in onze situatie ongelooflijk actueel en zeer ter zake.

Meer van Galilea

Preek voor de 14de zondag door het jaar  2021 Cenakelkerk

Preek voor de 14de zondag door het jaar  2021                             Herwi Rikhof

Ezechiël 2,2-5 / Mc. 6,1-6

 

We zitten duidelijk in de sportzomer. Goed, in de winkels liggen de oranje spullen in de aanbieding, maar het Europees kampioenschap voetballen gaat ook zonder ons door. En dan is er de Tour de France met een verrassing in het geel en Wimbledon en de Olympische Spelen. Als ik sport kijk, dan tennis, misschien wel omdat ik het zelf met plezier gespeeld heb. Niet heel goed, maar toch. Ik speelde vaak met een collega, Bas van Iersel, en onderweg naar de baan vertelde we elkaar waar we mee bezig waren in ons onderzoek. Bas was exegeet en had zich gespecialiseerd op het evangelie van Marcus. Ik heb een aantal van zijn boeken in mijn kast staan en in dit jaar waarin we Marcus lezen kijk ik ook altijd even naar zijn visie op het stukje dat we hier lezen. Maar wat hij onderweg naar de tennisbaan vertelde is mij ook wat bijgebleven, misschien wel omdat het wat losser was. Ik herinner me goed dat hij een keer zei dat het Marcusevangelie een vreemd soort detective was: normaal weet je wel wie het slachtoffer is en niet wie de dader is, maar in het evangelie is het andersom: we weten wie de daders zijn, maar we weten niet wie het slachtoffer is.

Ik vond en vind dat een schitterende opmerking, omdat op verschillende momenten in het evangelie precies dat speelt: wie is Jezus? Marcus begint zijn evangelie wel met: ‘begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God’, maar dat opschrift is bedrieglijk eenvoudig en helder. Want als je dan verder leest dan gaat het wel over Jezus maar niet over Christus. Die term komt maar drie keer voor in het evangelie: Petrus gebruikt ‘Christus’ als Jezus zijn leerlingen vraagt : ‘wie zeggen jullie dat ik ben’ (9,29). ‘Christus’ wordt door de hogepriester gebruikt bij de ondervraging van de gevangen genomen Jezus en de spotters bij het kruis dagen de Christus uit van het kruis af te komen en zichzelf te redden (15, 32). Elke keer is er een soort discussie over wat die term ‘Christus’ nu precies inhoudt en aan het eind is dat niet echt duidelijk.

Wie is Jezus? Die vraag komt op naar aanleiding van Jezus’ optreden. Als je het hele evangelie doorleest, merk je namelijk op dat verbazing vaak de reactie is op wat Jezus doet of zegt. Verbazing en wel in allerlei schakeringen. Terwijl het gebruik van de term ‘Christus’ wel een antwoord is op de vraag wie Jezus is, is dat wel een apart antwoord. Verbazing daarentegen is een gewoon antwoord, een herkenbaar antwoord.

Verbazing heeft te maken met wat we gewoonlijk verwachten, en wel met het doorbreken daarvan, met wat we niet verwacht hadden. Zoals deze week Mathieu van der Poel die iedereen, inclusief zichzelf, verbaasde door het zo goed te doen in een tijdrit. Dat had hij zelf niet verwacht. Verbazing als reactie op iets onverwachts en dat onverwachte is dan in dit geval een aangename verrassing. Maar het hoeft niet altijd een aangename verrassing te zijn. Onderzoeksjournalisten komen nogal eens met resultaten die een onaangename verrassing zijn, of het nu gaat over de toeslagenaffaire of over mestfraude. Deze week hoorde ik dat journalisten van de New York Times een minutieuze reconstructie hebben gemaakt van de bestorming van het Capitool op 6 januari en daaruit blijkt dat, tot verbazing van velen, er meer planning achter zat dan de meeste mensen dachten. Dat sommige politici tijdens die bestorming anders reageerden dan een week daarna – eerst deuren barricaderen tegen die bestormers en naderhand zeggen dat het een vorm van toerisme was – verbaasde mij niet meer. Je verwacht, jammer genoeg, van sommige politici niet anders. Verkeerde herinneringen heet dat ook wel.

De evangelist Marcus noemt dus herhaaldelijk in zijn evangelie dat mensen verbaasd zijn op het optreden van Jezus en zowel positief als negatief. Van Bas van Iersel heb ik ook geleerd dat je altijd verder moet kijken dan het gedeelte dat je leest of hoort in de liturgie, dat je moet letten op de grote lijnen, en ook dat je oog moet hebben voor de contrasten. Dat laatste is vandaag van belang. Jezus komt vandaag in zijn vaderstad. Daar woont hij niet, hij woont, als je dat kunt zeggen, in Kafarnaum, een dorpje vlak bij het meer van Galilea, het meer dat zo’n grote rol speelt in het optreden van Jezus voordat hij op weg gaat naar Jerusalem. In de synagoge van Kafarnaum geeft hij op sabbat onderricht en bij de eerste keer dat Jezus dat doet, merkt Marcus op: ‘ze waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, want hij onderrichte hen niet zoals de Schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit.’ (1,22)

Hij komt dus in zijn vaderstad, Nazareth en net als in Kafarnaum gaat Jezus op sabbat naar de synagoge om daar onderricht te geven. En net als in Kafarnaum zijn de aanwezigen verbaasd. In Kafarnaum heeft die verbazing te maken heeft met een aangename verrassing – ‘niet zoals de Schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit’ geeft dat mooi aan. In Nazareth is het minder positief. Marcus merkt op dat de mensen in Nazareth aanstoot nemen aan Jezus’ verkondiging. Jezus doorbreekt hun verwachtingspatroon en daar zijn ze niet gelukkig mee.

Jezus reageert daarop met een soort spreekwoord, dat wil zeggen met een opmerking die deze negatieve reactie in een kader plaats en die negatieve reactie haast gewoon maakt. Maar er is, denk ik, meer aan de hand dan op het eerste gezicht lijkt.

De term ‘profeet’ is een term die altijd een zekere spanning oproept. In de eerste lezing hebben we dat gehoord. Dat is een gedeelte uit de roeping van Ezechiël, een van de grote profeten. ‘Of ze nu luisteren of niet, … ze zullen weten dat er een profeet in het midden is’. Dat is niet uniek: in alle tijden zijn er mensen te vinden in de samenleving die kritische vragen stellen, klokkenluiders die verborgen onrecht openbaren, onderzoeksjournalisten die mistoestanden aan het licht brengen. En, hun activiteiten worden niet altijd gewaardeerd.

In dat spreekwoord scherpt Jezus dat aan door die spanning in verband te brengen met de achtergrond van de profeet: vaderstad, familie. Van een vreemde, een buitenstaander kun je gemakkelijker kritiek hebben dan van iemand uit je eigen kring. ‘Wat verbeeldt zij zich niet’, ‘dat moet híj zeggen’. Dat zijn gewone, heel herkenbare reacties. Maar, zoals ik zei, ik denk dat er meer aan de hand is, want het gaat niet om een fout in de organisatie, een mistoestand die toegedekt is en aan het licht wordt gebracht, het gaat om de verkondiging van het rijk van God, het gaat om God, om de visie op God.

En nu wordt dat contrast met Kafarnaum van belang: daar waren de mensen verbaasd over het gezag waarmee Jezus over God sprak, zo anders dan de gewend waren van de Schriftgeleerden. Geen van buiten geleerd lesje, maar van binnen uit, authentiek en misschien ook wel bevrijdend. Daar staan ze verwonderd over: dat zó en zo anders over God gesproken kan worden. Ik zei net ‘bevrijdend’ en dat heb ik gezegd omdat Jezus zijn prediking kracht bij zet door mensen die door hun ziekte buiten gesloten zijn, zoals melaatsen, te genezen en hen weer een plek te geven in de samenleving, door omgang te zoeken met mensen die zichzelf hebben buiten gesloten, zoals tollenaars die met de vijand collaboreerden en hen zo weer deel laat uitmaken van de maatschappij. Jezus spreekt over God als een goede, bevrijdende en barmhartige God. Dat verbaasde de mensen in Kafarnaum. Die waren blijkbaar een andere prediking gewoon. Ook de mensen in Nazareth zijn in eerste instantie verbaasd, maar in tweede instantie pikken ze niet, nemen ze er aanstoot aan dat Jezus zo over God spreekt en zo in Gods naam handelt. Zij vinden zo’n goede, barmhartige God eerder een bedreiging dan een bevrijding, omdat, denk ik,  geloof in zo’n barmhartige God consequenties heeft voor hoe zij met mensen omgaan, consequenties die zij niet willen trekken.

Het contrast tussen Kafarnaum en Nazareth is niet een contrast tussen twee dorpjes uit een ver verleden en uit een ver land, maar is een contrast in de kerk van alle tijden, ook van hier en nu. Reageren we diep in ons hart zoals de mensen in Nazareth of durven we ons te laten verbazen zoals de mensen in Kafarnaum, ook al kost dat wat?

Engel 20210627_120811

Overweging weekend 26-27 juni 2021 Cenakelkerk

Overweging weekend 26-27 juni 2021                                                           Margaret de Groot-Vlasveld

Wijsheid 1,13-15;2,23-24 / Marcus 5: 21-43

 

Juist in dit weekend worden de maatregelen versoepeld en lijkt er een wending te komen in de coronapandemie die ons zolang in de greep houdt. Afstand houden, geen bezoek ontvangen. En vooral het niet aangeraakt mogen worden. Het heeft velen op lichamelijk, geestelijk, emotioneel en sociaal vlak getroffen.

Aangeraakt woorden, het is een basisbehoefte. De lezingen vandaag belichten onsterfelijkheid en genezing, als gevolg van aanraking. Door de aanraking van Jezus komt het meisje tot leven. En de zieke vrouw geneest.  Er zijn dokters, meerdere hulpverleners, familieleden geweest die hen hebben aangeraakt, maar zonder het gewenste resultaat. Wachten op een genezing, is soms wachten op een wonder.

Komt dat alleen in oude verhalen voor? Zijn er ook in onze tijd genezingsverhalen?
De lezing over het dochtertje van Jaïrus is zeer indringend. Ik heb dit verhaal uit het Evangelie tijdens een uitvaart nooit durven lezen. Het is een verhaal dat huivering teweegbrengt. We maken allemaal mee dat geliefden overlijden. En op dat cruciale moment, als het lichaam niet meer ademt, zijn we machteloos. Sprakeloos. Vol verdriet. De lichamelijke dood is onomkeerbaar. Het verliezen van een kind, hoe schrijnend. Welke leeftijd je kind ook heeft, het is vreselijk. Onnatuurlijk dat een ouder een kind uit handen moet geven. De hand van Jezus lijkt dan ver weg. Levenslang verdriet, een diepe wond die, als de rauwe pijn na jaren hopelijk overgaat in zoete pijn, een litteken achterlaat.

Jezus vraagt vertrouwen. Vertrouwen om de weg te volgen die Hijzelf moet gaan, in lijden, sterven en dood, om dan te verrijzen naar zijn Vader. Dat geloven we, toch op cruciale ogenblikken van loutering is het een opgave om hierin te berusten.

In het verhaal van het dochtertje van Jaïrus, komt er leven in het dode lichaam door de aanraking van Jezus. Jezus geeft dat vertrouwen: hij pakt de hand van het meisje vast en zegt: Sta op. Leef. Vat moed. Doe mee. De aanraking door Jezus en zijn woorden werken genezend, helend. Ze roepen nieuwe levenskracht wakker in het meisje.
Bij de bloedvloeiende vrouw brengt ziekte haar op een dood spoor, er is toch wel hoop. Bloedvloeiing is een heel vervelend, lichamelijk ongemak, maar had in Jezus’ tijd bovendien enorme sociale gevolgen. De Joodse reinheidswetten beschouwden vrouwen die bloed verliezen, als onrein. Ze mag niets en niemand aanraken want door haar aan te raken wordt iedereen en alles onrein. Ze moet zich heel eenzaam zijn hebben gevoeld, afgekeurd en miskend. Uitgerekend deze vrouw benadert Jezus, raakt hem aan. Jezus voelt het direct.  In die aanraking met Jezus gebeurt iets in de vrouw. Er ontstaat verbinding met Jezus. Onzichtbare helende kracht. Energie vloeit over.

Ik vertrouw u een ervaring toe van Janneke, mijn nichtje. Een actueel genezingsverhaal.
Ik heb haar gevraagd of ik over haar mocht vertellen. Janneke is niet haar echte naam. Na haar middelbare school ging ze theologie studeren. Na een paar jaar werd ze overmand door paniekaanvallen.  Haar problematiek, zoals ze zelf aangeeft, werd mede veroorzaakt en zelfs verergerd door gebrek aan steun en inlevingsvermogen van haar omgeving. Ze waren niet in staat om zichzelf buiten beschouwing te laten en te kijken wat ze echt nodig had. Ze moest maar doorzetten en die angsten niet koesteren. Eenzaamheid, intense eenzaamheid bracht haar in een geestelijk en emotioneel isolement.

Haar paniek ging over in angststoornissen. Die werden zo hevig dat professionele hulp nodig was.  Psychiaters, medicatie, maandenlange opnamen in een kliniek, elektroshocktherapie. Werkelijk, alles is geprobeerd om haar te genezen. Haar geloof werd zwaar op de proef gesteld. “Als er een God is, waarom moet ik, als 30 jarige, dit doormaken?” Ze werd gelaten, somber, passief, gevoelloos. Ze kon niet meer bidden. Gelukkig was er een kring van intimi om Janneke heen, die haar steunde. Zo ook haar vriend Jeroen. Samen bezochten ze kerkelijke vieringen en hadden een gesprek met een priester. Hij zag de uitzichtloze wanhoop in haar doffe ogen. De priester stelde voor om haar een ziekenzalving te geven, in haar vertrouwde omgeving. Ze kan het zich precies herinneren. Met Jeroen zat ze op de bank en ze ontvingen het sacrament van de zieken. Het deed haar niets. Het voelde als: baat het niet, dan schaadt het niet. In de weken daarna merkte Jeroen dat haar gedrag veranderde, alsof er een andere energie in Janneke kwam. Stapje voor stapje was verbetering te zien. Haar medicatie en therapie kon worden afgebouwd.

We zijn nu drie jaar verder. Voor Janneke is dit sacrament waarin ze aangeraakt werd met Chrisma het keerpunt geweest. Ze is intens dankbaar voor haar wonderbaarlijke genezing. Ook hier, net als bij het dochtertje van Jaïrus en de vrouw die aan bloedvloeiingen leed, een onzichtbare, goddelijke helende kracht. Laten we blijven geloven in die goddelijke bron die ons innerlijk kan genezen als we durven te ontvangen.  Amen.

 

 

 

 

2021-06-22 (3)

Preek voor de 12de zondag door het jaar 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 12de zondag door het jaar 2021                                               Herwi Rikhof

2 Kor. 5, 14-17 / Mc. 4, 35-41

 

Inleiding
Uit het boek Job lezen we in de zondagse liturgie maar twee keer in de drie jaar een stukje. Eerder dit jaar, in februari, hebben we een klacht van Job gehoord over de vluchtigheid van het leven en vandaag horen we een fragment uit het slot van dat boek, een fragment gekozen vanwege het evangelie van vandaag over de storm op het meer, een fragment waarin God Job antwoordt. In februari heb gepreekt over dat boek Job. Vandaag wil ik dat niet weer doen, maar wat nadenken over een gedeelte van Paulus uit zijn tweede brief aan de Korinthiërs, de tweede lezing in het boekje.

 

Preek
Fascinerend, de serie de Romeinen op de tv. De afgelopen weken werd laat op de avond telkens een gedeelte uitgezonden van de bewerking van drie toneelstukken van Shakespeare over kopstukken uit de politiek van het Romeinse Rijk: Coriolanus, Caesar, Antonius en Cleopatra. Ik heb de hele serie opgenomen en kijk nu telkens een paar afleveringen achter elkaar op het moment dat het mij uitkomt. Fascinerend vanwege het spel van de acteurs, maar helemaal fascinerend vanwege de enscenering. De hoofdrol spelers niet in romeinse kleding, toga’s of zo, maar in hedendaagse pakken en jurken en het speelt zich af in een decor met hedendaags meubilair, met camera’s die alles zichtbaar opnemen, en op de achtergrond tv beelden, bijvoorbeeld van hedendaagse politici: Macron, Merkel, de ontmoeting van Trump met Kim Jung-un. Daardoor krijgen die eeuwenoude teksten van Shakespeare een verrassend en soms ook onthutsende actualiteit. In wat bijvoorbeeld Coriolanus zegt over het volk klinken hedendaagse politici door.

Diezelfde ervaring heb ik als ik bezig ben met de lezingen van de zondag: dat die oude teksten een verrassend en soms ook onthutsende actualiteit hebben. Niet altijd, maar wel vaak. Op het eerste gezicht lijkt dat verhaal over de storm op het meer actueel te zijn. Dat verhaal is in de loop van de geschiedenis verstaan als een verhaal over de kerk, over de vaak moeilijke situatie waarin het schip van de kerk zich bevindt. Toen Gregorius paus werd aan het einde zesde eeuw, was hij daar niet echt gelukkig mee en hij beschrijft de situatie van de kerk die hij aantreft als krakkemikkig en vraagt zich af of het schip van de kerk wel kan blijven drijven. We bevinden ons ook in een storm en er zijn mensen die zeggen dat door de coronacrisis de ontkerkelijking versneld is. Net als de leerlingen in de boot op het meer zijn er mensen die zich verbazen dat God niet ingrijpt. ‘Raakt het u niet dat wij vergaan?’ vragen zij ook. Het antwoord van Jezus aan zijn leerlingen zijn dan twee vragen die over de eeuwen heen tot ons gericht zijn: ‘waarom zijn jullie bang?’ ‘hoe is het mogelijk dat jullie geen geloof hebben?’.

Maar hoe actueel dat verhaal uit het evangelie ook mag zijn, hoe pertinent die vragen ook mogen zijn, ik vind de tekst van Paulus, als ik dat zo kan zeggen, actueler, pertinenter, onthutsender ook, misschien wel omdat die tekst weerbarstig is en wat meer nadenken vergt. Wat Paulus eeuwen geleden schreef aan een gemeente in Korinthe heeft vandaag voor ons hier in de Landstichting, denk ik, een verrassend en misschien ook wel onthutsende actualiteit.

Paulus gebruikt in dit gedeelte, zoals heel vaak in zijn betogen, tegenstellingen. Een tegenstelling die direct opvalt is die waarmee hij eindigt: oud – nieuw. ‘Het oude is voorbij, het nieuw is al gekomen.’ Hij praat ook over ‘een nieuwe schepping’. In onze vertaling staat iets eerder nog een keer ‘oud’: ‘oude maatstaven’. Maar over die vertaling moet ik wat zeggen. Paulus gebruikt daar namelijk een andere tegenstelling, die hij heel vaak gebruikt en die voor zijn denken fundamenteel is: vlees-Geest. ‘Naar het vlees’ staat er letterlijk in onze tekst. Ik weet dat die formulering, ‘naar het vlees’, misverstanden kan oproepen en daarom heeft men hier voor ‘oude maatstaven’ gekozen, maar als je weet dat het misverstanden kan oproepen, dan ben je gewaarschuwd. Als Paulus ‘vlees’ gebruikt, bedoelt hij niet ons lichaam, maar ons vergankelijke, brekelijke, eindige menselijke bestaan. We bestaan allemaal ‘in het vlees’, we zijn per slot mensen, maar we hoeven ons niet ‘naar het vlees’ te gedragen, anders gezegd, we hoeven onze normen en waarden, onze maatstaven, niet te ontlenen aan het vlees, aan ons brekelijke bestaan, aan onze maatschappij. Als gelovigen kunnen we ‘in het vlees’ anders leven, kunnen we in het vlees ‘naar de Geest’ leven. En in die zin is ‘naar het vlees’ te verstaan zoals het in ons gedeelte vertaald is: ‘volgens de oude maatstaven’. Als gelovigen hebben we een keuze gemaakt voor dat anders leven en hebben we dat ‘naar het vlees’ dus achter ons gelaten.

We hebben we die keuze gemaakt, dat ‘naar het vlees’ achter ons gelaten, of gaat het eerder om een keuze die we telkens moeten maken? Dat denk ik, omdat de omstandigheden waarin we leven telkens veranderen. Neem nu de persconferentie van afgelopen vrijdag. We waren er natuurlijk wel op voorbereid dat er versoepelingen zouden komen, die waren al uitgelekt of aangekondigd, maar dat bijna alle maatregelingen opgeschort zullen worden, hadden de meesten van ons waarschijnlijk niet verwacht. Eerder deze week hadden we als pastorale team een vergadering en toen kwamen ook de mogelijke versoepelingen ter sprake. We hebben toen besloten niet allerlei beslissingen te nemen over zingen, ter communie gaan enz., maar te wachten op de richtlijnen van de bisschoppen. We hebben toen ook besloten – en dat vond ik belangrijker – deze coronacrisis niet te beschouwen als een hinderlijke onderbreking en dus gewoon verder te gaan waar we voor de lockdown gebleven waren, maar deze crisis te gebruiken om goed te kijken naar allerlei aspecten van onze geloofsgemeenschap: wat hebben we geleerd van deze crisis, wat willen we bewaren, wat hebben we gemist, wat willen opnieuw oppakken en versterken. Vragen niet alleen aan het team en het bestuur, maar aan ons allen als gemeenschap. Ik wil wel een voorzetje geven.

We hebben ontdekt hoe belangrijk communicatie is en hoe belangrijk ook allerlei nieuwe technieken zijn. Zonder zoom was de crisis nog moeilijker geweest, de eenzaamheid nog veel groter. Gelukkig hebben we hier in onze kerk elke week uitzendingen via YouTube en later ook via Omroep Berg en Dal kunnen realiseren. En dat willen we blijven doen. En we zijn Ard en Bart veel dank verschuldigd voor hun creatieve inzet.

We hebben ook ontdekt dat naast de lichamelijke gezondheid ook de geestelijke gezondheid van belang is. We hebben met alle beperkingen kinderen kunnen voorbereiden op hun eerste communie en jongeren op hun vormsel, maar we hebben niet alles op het gebied van catechese kunnen doen. En dat willen we straks wel weer doen, voor de allerkleinsten, maar ook voor de volwassenen.

Wie in Christus is, is een nieuwe schepping zegt Paulus vandaag tot ons. Laten we dan onze creativiteit ook gebruiken voor iets nieuws.

20200712_115357

Preek voor de 11de zondag door het jaar  – 13 juni 2021 Cenakelkerk          

Preek voor de 11de zondag door het jaar                                                             Herwi Rikhof

Ez. 17,22-24 Mc. 4,26-34

 

Inleiding
De eerste gewone groene zondag, na de paarse zondagen van de veertigdagentijd en de witte zondagen van de paastijd en de feesten van de Drie-eenheid en Sacramentsdag. We lezen dit jaar op de gewone zondagen uit Marcus en vandaag horen we een tekst uit het gedeelte waarin Marcus de prediking van Jezus behandelt en dat hij besluit met ‘Anders dan in gelijkenissen sprak hij niet tot hen, maar eenmaal met zijn leerlingen alleen gaf hij van alles uitleg.’ Van die gelijkenissen horen we er vandaag twee. Over de tweede, over het mosterdzaadje wil ik straks nadenken.

Preek
De mededeling stond in alle kranten die ik las of waarvan ik elke dag het overzicht krijg: dat de uitvinder van het ZKV, het zeer korte verhaal, A.L. Snijders, overleden was. Plotseling. Ik had hem, zoals wel vaker op de zondagmorgen, de afgelopen zondag nog op de radio gehoord met zo’n kort verhaal en ook toen werd hij aangekondigd als de uitvinder van dat genre. Ik weet niet wie dat bedacht heeft, dat hij de uitvinder van dat genre is, maar ik vind en vond het altijd een beetje vreemd. Dat kranten die niet zoveel met geloof en kerk op hebben, min of meer klakkeloos herhalen is nog te begrijpen, maar dat kranten die wel aandacht hebben voor het christelijk geloof dat ook schrijven, blijf ik vreemd vinden. Alsof in teksten die 2000 of nog ouder zijn geen zeer korte verhalen voorkomen, alsof een van de kenmerken van het optreden van Jezus niet is dat hij zeer korte verhalen vertelt, ontleend aan alledaagse gebeurtenissen. Vandaag hebben we er twee van gehoord, twee die thematisch met elkaar verbonden zijn omdat ze beide over zaad gaan.

Aan het eind van de evangelie staat een zin die ik al in mijn inleiding geciteerd heb: ‘Anders dan in gelijkenissen sprak hij niet tot hen, maar eenmaal met zijn leerlingen alleen gaf hij van alles uitleg.’ Een zin waarmee Marcus dit soort optreden afsluit. In de rest van zijn evangelie geneest Jezus wel en horen we over wie genezen worden, discussieert hij wel en horen we ook waar het om gaat, verkondigt hij wel, maar wat hij verkondigt horen we niet, behalve wanneer het om zijn lijden en dood. Jezus vertelt in het evangelie van Marcus nog een gelijkenis, in de tempel, maar die gaat niet over het koninkrijk, maar over hemzelf, over de steen die de bouwlieden afkeuren, maar die de hoeksteen wordt (Mc. 12,1-11; ps. 118,22-23; vgl. Jes 5,1-2). Die zin aan het eind van de evangelielezing van vandaag sluit dus de verkondiging van het koninkrijk door gelijkenissen af, maar tegelijkertijd geeft Marcus een dubbel commentaar: dat Jezus alleen maar in gelijkenis spreekt tot de mensen, én dat hij ook aan zijn leerlingen uitleg geeft. Blijkbaar vragen die zeer korte herkenbare en duidelijke verhalen toch om een uitleg. Die horen we niet. En dat geeft ons de gelegenheid en ook de opdracht te zoeken naar die uitleg.

Dat zeer korte verhaal over het mosterdzaadje gaat om een paar zinnen. “Het [koninkrijk van God] lijkt op een mosterdzaadje. Wanneer dat gezaaid wordt in de grond, is het wel het allerkleinste zaadje op aarde; maar eenmaal gezaaid, schiet het op en wordt groter dan alle tuingewassen, en het krijgt grote takken, zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.” Wat zou Jezus hiermee bedoelen? Welke uitleg zou hij geven aan zijn leerlingen?

Het eerste dat van belang is dat Jezus geen biologie les geeft. Het mosterdzaadje is niet het kleinste  – het zaadje van een cipres is kleiner –  en het groeit ook niet uit tot een enorme boom, eerder een struik. Waar gaat het dan wel om? Gaat het om die groei van klein naar groot, van allerkleinst naar heel groot? Gaat het dan over het kleine begin in Galilea dat uitgroeit tot een wereldwijde kerk waarin alle volkeren welkom zijn, waarbij dan de vogels staan voor alle volkeren en de takken voor de kerk? Of gaat om een persoonlijke groei van dit leven naar het eeuwige, zoals die andere opmerking van Jezus over de graankorrel die moet sterven om vrucht te dragen.

Misschien gaat het daar om, om die groei van klein naar groot. Maar is dat hele gewone verschijnsel van groei de pointe van deze zeer korte gelijkenis? Is dat niet te gewoon. Moet je dat gewone proces echt uitleggen? Kunnen we, moeten we niet iets meer zeggen? Is het misschien van belang te kijken naar het resultaat van die groei? Het resultaat is een plant, een struik die vruchten oplevert. Die vruchten verbeteren de smaak en ze verbeteren de gezondheid, zijn een soort medicijn. En, het resultaat is zoveel vruchten dat het te veel is voor één persoon. Degene die dat mosterdzaadje plant, doet het niet voor zichzelf. Zo bezien levert die eenvoudige handeling van een zaadje planten een groot resultaat op.

We kunnen nog een stap verder gaan – die eenvoudige handeling van zaaien staat aan het begin, maar daarna komt de mens niet meer voor in deze zeer korte parabel. Bij dat natuurverschijnsel van groei is de mens maar terzijde betrokken: dat klinkt ook door in die eerste parabel. Jezus vertelt dat verhaal in een tijd waarin er nog geen sprake is van intensieve landbouw en pesticiden en van klimaatverandering vanwege het optreden van de mens. In een tijd waarin we weten hoeveel invloed de mens op de natuur heeft, klinkt zo’n parabel misschien naief. Of is die parabel juist niet naief. We ontdekken immers ook meer en meer dat die invloed van de mens op de natuur niet altijd een goede is, dat er fundamentele vragen worden gesteld bij de intensieve landbouw en veeteelt- dat is een onderdeel van de moeizame formatie -, en je ziet dat gemeenten niet meer alles kort en klein maaien, maar de biodiversiteit proberen te bevorderen. Vanmorgen hoorde ik bij Vroege Vogels dat in de gemeente Berkelland  de gemeenten stukken die langzamerhad bij weiden getrokken zijn weer teugneemt en daarin het coulissenlandshap herstelt en dat na een jaar er al weer insecten aanwezig zijn en allerlei nloemen. Deze week las ik ergens iets over tegeltaks, een belasting op te veel steen in een tuin. Als we tegen deze achtergrond naar deze zeer korte parabel luisteren, krijgt dit zeer korte verhaal een grote kritische zeggingskracht.

Hoe belangrijk die zaaier ook is, de mens is niet bepalend zegt Jezus in deze korte parabel. De mens moet zich niet voortdurend met dat proces bemoeien en moet dat proces zijn gang laten gaan. Het gaat in deze parabel niet om de zaaier, maar om die boom, die struik, om dat resultaat, om overvloed van  vruchten die goed zijn voor de smaak en kunnen dienen als medicijn.

Dat is niet altijd makkelijk, jezelf ondergeschikt te maken, maar de kritische vraag die deze parabel oproept is of alles op te lossen is, ook en vooral in onze kerk, met management. Die vraag klinkt zeker nu, nu we ons gaan bezinnen op na-corona, ook als kerk. Geven we het proces van de coronacrisis de kans resultaten op te leveren, vruchten die als smaakmakers of als medicijn kunnen functioneren? Geven we ook in deze omstandigheden het koninkrijk van God een kans om te groeien?

 

Contact

Centraal Parochiesecretariaat:

Hatertseweg 111

6533 AD Nijmegen

tel: 024 – 355 3630

e-mail:
parochiecentrum@h3eenheid.nl

Bereikbaar op werkdagen tussen 09.00-12.30 uur.