Overwegingen van achter ons liggende zondagen.

Overweging, 5 september, 23e zondag door het jaar B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

In een wereldstad zoals Wenen bezoek je, als je tenminste de gelegenheid krijgt, een aantal unieke kunstzinnige exposities. Zo gezegd, zo gedaan. Naast die van Oostenrijkse schilders zoals Gustav Klimt en Egon Schiele was er ook een internationale expositie over het tijdvak van Claude Monet tot en met Pablo Picasso. Wat mij deze keer vooral opviel was de wijze waarop er in de diverse doeken van de natuur, van mensen en zelfs in het abstracte, met licht werd gewerkt. Eén schilderij deed mij echter echt stilstaan. Het was een doek van een vrouw die in haar bed met een prachtige glimlach op haar mond, haar ogen opende bij het binnenvallen van een zonnestraal.

In onze van oorsprong christelijke cultuur mogen en kunnen wij echter ook opengaan voor de boodschap van de Heer. En dat is niet iets wat vanzelfsprekend is in onze dagen en het beperkt zich niet alleen tot het louter horen of zien. Nee, het gaat veel dieper want het heeft betrekking op het openen van ons hart voor wat Hij ons bijvoorbeeld aanreikt door de woorden van het Evangelie. Dit alles is een wisselwerking van liefde tussen de gever, de gave en de ontvanger. Het gaat uiteindelijk om het openstellen voor de ontmoeting met de ander met een grote en een kleine letter. Ik geef u een mooi voorbeeld uit het Bajes Brevier (jaar B) ter verduidelijking. Als jongen van twaalf jaar verloor Wilhelmus van de Monte Vergine zijn beide ouders. Op zijn veertiende ging hij op pelgrimage naar Santiago de Compostella en trok zich in de eenzaamheid terug. Daar ontmoette hij op zekere dag een mooi meisje met een blinde vader. De laatste begon vurig te bidden en te smeken dat de kluizenaar voor hem bij God ten beste zou spreken. Wilhelmus echter leerde hem allereerst dat wij mensen soms het lijden moeten ondergaan én aannemen. Toen hij uitgesproken was zegende hij hem. De vader opende zijn ogen en was op slag genezen…

Laten we terugkeren naar de lezingen…

  • de profeet Jesaja (35, 4-7a) spreekt bemoedigende woorden tot het volk;
  • de apostel Jacobus roept in zijn brief (2, 1-5) op om niet kwaadaardig te discrimineren;
  • in het Evangelie volgens Marcus (7, 31-37) geneest Jezus een doofstomme.

In de passage van vandaag vraagt de profeet Jesaja nadrukkelijk om vertrouwen te hebben in de God van het verbond. Al is er dan sprake van een crisis in meerdere opzichten, God is erbij! De woorden wijzen echter ook vooruit naar de tijd waarin het volk van Israël en Juda in ballingschap is. Namens God vraagt hij om niet te vrezen of bang te zijn maar om moed te vatten. Dat brengt bij mij het beeld te binnen van een tweetal schilderijen waarin een moeder over haar kinderen waakt of hen beschermt met haar mantel. Zo is God als Vader. Hij zal komen om het volk te redden en hun opnieuw het leven schenken. God is de bron van alle leven. Hij zal de ogen, de oren, de mond van velen openen en de ledematen van weer anderen in beweging brengen. Dit alles is een hoopvol vergezicht met het effect van zoiets als een beweging van donker naar licht bij de vrouw die haar ogen met vreugde opende bij het binnenvallen van een zonnestraal.

De apostel Jacobus houdt ons een spiegel aangaande het geloof voor. Geloven is niet het gevoelig zijn voor vleierij en bevoordeling van anderen maar het is de waardigheid van iedere persoon als een door God gewild en geliefd schepsel, voorop stellen. Op een aantal van de schilderijen die ik zag werden dames met al hun rijkdom geportretteerd. Op zich is daar niets op tegen maar wel als dit een rechtvaardiging zou zijn van de discriminatie tussen rijk en arm. Zo was de echtgenote van de Joodse mecenas van Gustav Klimt een door hem geschilderde vrouw in goud. God heeft de armen uitgekozen om de rijken in geloof de ogen te openen om niet vast te zitten aan het aardse.

Jezus is actief in het gebied van de niet Joden of de heidenen als Hij vanuit Tyrus over Sidon naar het meer van Galilea gaat. Aldaar brengt men Hem een doofstomme om te genezen. Zijn roem als geneesheer van lichaam en geest is Hem vooruitgesneld. De doofstomme is door zijn dubbele beperking buiten de gemeenschap geplaatst. In die zin is hij derhalve arm. Jezus neemt hem bij de hand, brengt de doofstomme buiten de kring van het aanwezige volk en deze laat Jezus begaan. Dat is de tweede vorm van armoede, namelijk die van het geloof. Hij verricht verschillende handelingen door het aanraken van zijn oren en tong, het opslaan van zijn ogen ten hemel en door het zuchten en spreken. De woorden ‘Ga open’ zijn in Hem als het ware de zonnestraal van het samenwerken tussen het menselijke en goddelijke. Zijn handelen brengt licht aan de horizon van de doofstomme omdat hij door zijn genezing, niet langer een uitgestotene is van de gemeenschap. Er worden echter geen woorden gebruikt om iets te vertellen over zijn geloof. Toch mogen we dit op de een of andere manier veronderstellen want  Jezus’ bevrijdende handelen nodigt zowel de doofstomme als het aanwezige volk uit tot (de groei van) het geloof in Hem. Hij laat doorheen zijn woorden en handelen immers zien wie Hij is. Zijn identiteit licht als een zonnestraal op. Hij is de Christus, de gezalfde van God die gekomen is om de mensen van alle tijden van het donker naar het licht te brengen. Zou de doofstomme man, zo vraag ik mij af, ook zo vreugdevol hebben gekeken als de vrouw op het genoemde schilderij die haar ogen verwonderd opende bij het binnenvallen van een zonnestraal? Het zou zo maar kunnen. Dezelfde vraag kan overigens gesteld worden aan de blinde vader in het voorbeeld van Wilhelmus van de Monte Vergine. Laten wij samen met God proberen om een zonnestraal te zijn voor elkaar…AMEN

 

Overweging 29 augustus,22e  zondag door het jaar B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

De woorden ‘Luistert allen naar Mij’ appelleren aan ons vandaag. Zo overkwam het mij ook op een zondagmorgen in een sobere kapel van de Cisterciënzers op Schiermonnikoog. De monnik die voorging had een krachtige doch serene gestalte en hij sprak met een zachte maar duidelijke stem. Hij was duidelijk een man van gebed. Dit alles maakte mijn hart als het ware zacht om te kunnen luisteren naar zijn woorden. Hij zei onder meer: ‘De stilte is Gods onvoorwaardelijke liefde’ en ‘We mogen in de stilte zelveloos worden en loskomen van het ik want velen van ons zijn verdwaald in en door het ik’. En tenslotte voegde hij hieraan toe: ’Angst en twijfel duiden op een niet verbonden zijn met de liefde van God’. Het zijn deze woorden die het stil in en om mij heen maakten want ze kwamen binnen. Hierin klinkt overigens ook de bede van paus Franciscus uit de encycliek ‘Weest allen broeders’ door. Hij vroeg God hierin om onze harten gereed te maken voor de ontmoeting met onze broeders en zusters ondanks alle verschillen. Vrij vertaald bad hij om de genade om ‘zacht’ van hart te worden zoals in het voorbeeld van de genoemde monnik.

De woorden ‘Luistert allen naar Mij’ uit het Evangelie vragen om zoiets als een innerlijke motivatie of zachtheid om te willen luisteren zoals bij het afkondigen van beperkende  maatregelen door de Overheid. Ze roepen op tot een zuivere manier van luisteren om door de wirwar van de omringende geluiden van ruis, de essentie van de boodschap te kunnen en willen oppakken. Het vraagt om een luisterbereidheid naar Degene namens wie deze boodschap in de lezingen tot ons wordt gericht, de God die Liefde is. Laten we de lezingen samen wat nader bezien…

  • in het boek Deuteronomium (4, 1-2.6-8) vernemen we de bekende woorden ‘Luister, Israël’;
  • in de brief van de apostel Jacobus (1, 17-18.21b-22.27) staat de zuiverheid centraal;
  • in het Evangelie volgens Marcus (7, 1-8.14-15.21-23) zegt Jezus ‘Luistert allen naar Mij’.

In het boek Deuteronomium of de Wet ten tweede male horen wij de voor een Jood  overbekende woorden ‘Luister Israël’. Het is deze oproep van God bij monde van Mozes die het volk uitnodigt om niet alleen te luisteren met hun oren maar vooral met hun hart, de plaats waar de liefde woont. Het zijn ook de beginwoorden van Mozes bij zijn afscheidsrede voor het overschrijden van de waterscheiding, de Jordaan, van de woestijn met het Beloofde Land. Hij zal er zelf niet binnen gaan maar wijst Israël nogmaals op de bepalingen en voorschriften, die al eerder zijn vastgelegd, met het oog op een goed en een God welgevallig leven. Het onderhouden hiervan betekent immers leven met een hoofdletter. Er mag echter niets aan toegevoegd of vanaf gehaald worden. Als het volk zich zo gedraagt dan zullen ze veilig leven en zal er respect zijn van de omringende volken. Tevens zullen welzijn en welvaart hun deel zijn. Afdwaling leidt echter tot strijd en vijandigheid en ook een gebrek aan het laatstgenoemde. Kortom ‘De Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel ziel, geheel uw verstand en met al uw krachten en de naaste als uzelf’ moet dé leidraad zijn voor een gelukkig leven. Verderop in de geschiedenis van het volk wordt duidelijk dat hen dit heel veel moeite kost. Ze hebben de boodschap wel in hun oren geknopt maar niet laten schrijven in hun hart. Het hart is niet ‘zacht geworden. Kan dit te maken hebben met de twijfel en of angst voor de reactie van de buitenwereld over het trouw zijn aan het verbond met God ?

Deze verkeerde prioriteitenstelling treffen we opnieuw aan in het Evangelie. De leerlingen krijgen van de Farizeeën en de Schriftgeleerden het verwijt dat zij niet hun handen wassen voordat zij aan tafel gaan. Het reinigen van de vingertoppen voor het eten is echter een menselijke aanvulling op het door God met het volk afgesprokene in de Wet van Mozes. Jezus reageert daarom passend door hen daarop fijntjes te wijzen. Ze hebben te weinig oor en oog voor waar het werkelijk om moet gaan, het eren of dienen van God met het hart. Zij  belijden Hem louter en alleen met hun lippen want door meer belang te hechten aan de menselijke toevoegingen op de Wet, stellen zij de mens boven God. Jezus doet met zijn reactie echter geen afbreuk aan de zorg voor een goede hygiëne die een plaats moet hebben in de samenleving van toen en nu. Nadat Hij hen geconfronteerd heeft met de niet bij hun ambt passende houding spreekt Jezus het volk aan met de woorden ‘Luistert allen naar Mij en wilt het verstaan’. Hij spreekt met deze oproep ook ons mensen anno 2021 aan. Kortgezegd stelt Hij hen en ons de tijdloze vraag: Is uw hart Mij toegewijd of niet? Het komt uiteindelijk dus opnieuw op een innerlijke motivatie tot luisteren aan…

De apostel Jacobus nodigt de lezer in zijn brief ook uit tot het zachtmoedig en in geloof aannemen van de boodschap van God. Hij is immers de bron van ieder mensenleven. Ook hij roept de mensen van alle tijden op om niet alleen te horen met hun oren maar om vooral te luisteren met het hart. Recent las ik een getuigenis van een vader en zijn gezin die in de afgelopen tijd te maken kregen met een quarantaine vanwege Corona. Hij schreef dat het dagelijks leven drastisch veranderde. Zijn vrouw en kinderen moesten een aantal examens thuis voorbereiden en konden niet wennen aan het digitale onderwijs. Het zorgdragen voor elkaar in huis kwam onder druk te staan. Op het moment dat het verkeerd dreigde te gaan pakte hij eenvoudige dingen op zoals het opruimen van de keuken en het organiseren van het eten. Zijn hart was ‘zacht’ geworden door in de stilte te ontdekken wat werkelijk belangrijk is. En hij kende geen twijfel of angst maar deed het gewoon in een verbondenheid met God. Hij stelde hiermee een creatieve, toegewijde daad van luisterende liefde. Uiteindelijk ontdooide na enige tijd de situatie in huis en volgden anderen zijn voorbeeld… AMEN

Overweging, 22 augustus, 21e zondag door het jaar B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

Op een van de treinstations in Oostenrijk zag ik op een zomeravond een groepje opgeschoten tieners. Stoer en met de borst vooruit liepen zij over het perron. Kort daarachter liep een wat getinte jongen, met ‘muziek’ op zijn oren, dansend achter hen aan. Op zijn manier hoorde hij bij hen.

Een paar dagen eerder keek ik naar een driedimensionale film met de spannende titel ‘Black widow’. Aan het begin werd het portret geschilderd van een gezin op de vlucht voor de Amerikaanse veiligheidsdiensten. Het bleek echter, met het oog op de wereldheerschappij van één man, een geconstrueerd gezin. Het gezin als moordmachine, bleek even verderop. Echter deze korte tijd als ‘gezin’ had bij beide dochters in relatie tot vader en moeder een het geweld overwinnende sterke verbondenheid veroorzaakt. Met deze onvermoede liefdeskracht had de machthebber geen rekening gehouden en dat merkt hij als deze zich tegen hem keert. De keuze uit liefde van de vier gezinsleden overwint uiteindelijk zijn dominante heerschappij.

In beide voorbeelden is er sprake van een niets verbloemende keuze, iets waar we in de lezingen ook over vernemen. Na de wonderbare broodvermenigvuldiging, de verwondering bij het volk, de tekst en uitleg van Jezus en de morrende reactie van de mensen hierop, vraagt de Heer nu om een keuze. Wat wordt het?, lijkt Hij te zeggen. Jezus aannemen louter als een moreel of ethisch kompas voor het leven of Jezus als de mens geworden zoon van God die gekomen is om nieuwe mensen van ons te maken en ons te redden? Het is een keuzevraag: richten wij mensen onze blik in het leven op het tijdelijke of op het eeuwige? Een niet onbelangrijke vraag lijkt mij. Laten we de lezingen eens wat verder ontleden.

  • in het boek Jozua (24, 1-2a.17-17.18b) spreekt Jozua zijn afscheidsrede uit;
  • in de brief aan de Efeziërs (5, 21-32) behandelt de apostel Paulus de wederzijdse huwelijkse verplichtingen;
  • het Evangelie volgens Johannes (6, 60-69) is het slot van de ‘Broodrede’.

Jozua, de opvolger van Mozes als leider van het Joodse volk, roept een volksvergadering bijeen; de oudsten, de familiehoofden, de rechters en schrijvers, dat zijn de mannen van aanzien. Hij houdt net zoals Mozes in de woestijn, aan het einde van zijn leven een afscheidsrede. Jozua stelt het volk voor een keuze. Hijzelf en zijn familie blijven de God van het verbond trouw. Het volk krijgt de vraag voorgelegd of het kiest voor de God van Israël of voor de afgoden van de omringende volken. Het volk kiest uiteindelijk ervoor om het voorbeeld van Jozua en zijn familie te volgen, hetgeen bekrachtigd wordt in een verbond van trouw. De inhoud wordt vastgelegd en van de mensen wordt gevraagd om het beste beentje voor te zetten. En eenieder moet blijven proberen om met zijn of haar talenten, zoals de ‘dansende jongen’ en het ‘geconstrueerde doch vitale gezin’, deze trouw invulling te geven. Daarvoor is de alles bepalende keuze voor het leven in een gemeenschap met God en vandaar uit met elkaar, noodzakelijk…

De beginregel van het Evangelie ‘Deze taal stuit iemand tegen de borst’, zet de toon voor de uiteindelijke keuze van veel van Jezus’ leerlingen. Na de verwondering over de overvloedige maaltijd, de spraakmakende uitspraken van Jezus over het brood dat uit de hemel is neergedaald, het levende brood en het eten van zijn Lichaam en Bloed, doet zijn Zoon van God de Vader zijn als het ware de spreekwoordelijke deur dicht. Het gemor bereikt een hoogtepunt want men vindt zijn woorden onaanvaardbaar en mogelijk zelfs blasfemisch of godslasterlijk. Velen van de aanwezige leerlingen maken een keuze tegen Hem die haaks staat op de eerdere stap om Jezus te volgen. Zij besluiten om het ‘Lam’ niet te volgen waar het ook gaat…

Teleurgesteld vraagt Hij de Twaalf of de apostelen of zij Hem ook willen verlaten. Petrus antwoordt echter mede namens de overige elf, met de prachtige voor Jezus bemoedigende woorden: ‘Heer, U hebt woorden van eeuwig leven, tot wie zouden wij anders gaan.’ Wat betekenen deze radicale woorden van de eerste van de apostelen voor ons? Raakt de inhoud ons diep in het hart en kunnen of beter gezegd willen wij ze net zoals Petrus tot de onze maken? Of twijfelen we en of wijzen wij ze zelfs resoluut af? Voor deze grote keuze stonden de Twaalf zo’n twintig eeuwen geleden en staan wij in 2021. Van de apostelen weten wij dat de grote meerderheid, elf van de twaalf, de woorden van Petrus met hun leven hebben beantwoord. Kan de korte passage over het huwelijk van de apostel Paulus voor ons hierin een hulp en ondersteuning zijn? Het liefdesverbond tussen man en vrouw wordt door hem vergeleken met de relatie tussen de bruidegom Christus en zijn bruid, de Kerk. Waar man en vrouw in het huwelijk, met de hulp van Gods genade, totaal een mogen worden mogen wij als lidmaten van het Lichaam van Christus, met de genade van God, een worden met het hoofd van het Lichaam. Beide bruidsrelaties vragen van mensen een radicale keuze waarvoor wij ons tot het uiterste toe mogen inspannen om samen het gezin van en met God te vormen. Een dagelijks moment van stilte helpt ons hierbij. Deze vingerwijzing vond ik op de website www.stilleschenken.com. Daarop wordt ons verteld dat het iedere dag reserveren van een periode van tien minuten stilte vruchtbaar en helend is. In deze korte tijdsspanne zijn we immers in staat om dankbaar te zijn voor alles wat wij hebben ontvangen maar ook om het goede te wensen voor de medemensen die het moeilijk hebben. En om als gelovige mensen in een diepe verbondenheid met God te herademen… AMEN

 

Overweging, 15 augustus, Maria ten hemelopneming B 2021, door pastoor Jacques Grubben.

Tijdens mijn vakantie in Wenen bezocht ik een kerk met de naam ‘Maria am gestade’. Het is de oudste kerk, uit de negende eeuw, die toegewijd is aan Maria. Gelegen aan de Donau heeft zij een verwoesting en verschillende restauraties overleefd. De prachtige mozaïeken boven de ingang ‘spreken’ over Maria. En de Nijmeegse Jezuïet Petrus Canisius heeft in deze kerk ooit de heilige Mis opgedragen, zo stond er te lezen op de muur.

Kort daarna attendeerde een collega mij op een recente ‘Maria-verschijning’ in Geldrop. Bij het bewerken van een stuk hout voor zijn overleden schoonzus kwam een beeltenis van Maria, de moeder van Jezus, tevoorschijn. En ondanks dat hij en zijn vrouw niet gelovig zijn, krijgt het bijzondere stukje hout met de beeltenis een plek in hun woonkamer.

We kunnen derhalve met een gerust hart zeggen: Maria is een vrouw van alle tijden want zij spreekt nog steeds tot de verbeelding. Immers hoe vaak horen we niet dat er een kaarsje is of wordt opgestoken bij Maria, als de Moeder van Altijddurende bijstand of de Zoete Moeder van Den Bosch. Ze is niet alleen als moeder maar ook als een vrouw van geloof, een aansprekend voorbeeld voor velen. En ze geeft nog steeds ‘ruimte’ aan God in haar betrokkenheid op het levensgeluk van mensen. Desalniettemin is er geen Bijbelpassage waarin het ‘ontslapen’ of het ten hemel worden opgenomen van Maria wordt beschreven. Het feest, dat wij vandaag vieren, wordt echter al sinds de 6e eeuw gevierd, eerst in het Oosten en later ook in het Westen van de wereldwijde Kerk. En terecht want, zo las ik recent op Facebook, ‘Maria is de norm. Ze is de vrouw die iedere vrouw kan navolgen.’ Luisteren wij naar wat we in de lezingen over haar horen.

  • in het boek Openbaring (11, 19a;12, 1-6a.10ab) vernemen we over de eindstrijd tussen goed en kwaad;
  • in de 1e brief aan de Korintiërs (15, 20-26) spreekt de apostel Paulus over de eerste en de tweede Adam, de zoon van God die mens is geworden;
  • het Evangelie volgens Lucas (1, 39-56) verwoordt tot slot de prachtige ontmoeting tussen Maria en haar nicht Elisabeth.

In het laatste boek van de Bijbel, de Openbaring, wordt gesproken over een tweetal grote tekens aan de hemel. Ze zijn opgetekend namens de apostel Johannes naar aanleiding van een hemels visioen. Het eerste teken is dat van een vrouw die bekleed is met de zon, met de maan onder haar voeten en die gekroond is met twaalf sterren. De eerste twee beschrijvingen verwijzen naar haar intense verbondenheid met God, terwijl de twaalf sterren refereren aan de twaalf stammen van Israël. De vrouw is Maria, zij is zwanger en verkeert in barensnood. De laatste woorden verwijzen echter niet naar de geboorte van Jezus maar naar het Paasgebeuren want dan wordt Hij verheven tot de koning die het ‘volk’ zal hoeden met een ijzeren staf. De vrouw die wegvlucht naar de woestijn verbeeldt de Kerk die in ballingschap leeft en door God in de tijd wordt gevoed. Het tweede teken aan de hemel is dat van een grote rode draak die gekroond is met zeven koppen met elk daarop een diadeem. Het is de verbeelding van het Kwaad of de duivel, die niet bevrijdt maar tot slaaf maakt. Het derde  deel van de sterren dat op aarde worden geworpen verwijst naar de gevallen engelen die hem dienstbaar zijn. Beide tekenen zijn een verbeelding van de eindstrijd tussen goed en kwaad, tussen God en de duivel. Maria heeft daarin als de Moeder van Jezus en van de Kerk, een plaats.

In het evangelie volgens Lucas pakken we de draad op vanaf het moment dat Maria, na het bezoek van de aartsengel Gabriël, zwanger is van de zoon van God. Zij weet inmiddels dat haar nicht Elisabeth, ondanks haar leeftijd, op wonderbaarlijke wijze zes maanden zwanger is en gaat haar uithelpen. Als aanstaande Moeder van de beloofde Messias én van de Kerk gaat zij op reis om de Blijde Boodschap of het Evangelie uit te dragen. Het is echter een hele reis vanuit Nazareth in Galilea naar Ain Karim ten westen van Jeruzalem in Judea waar haar nicht en haar man wonen. Immers Zacharias is een priester die dienst doet in de Tempel. Ook aan hem is de aartsengel Gabriël verschenen alleen heeft hij hem geen geloof geschonken toen deze sprak over de aanstaande zwangerschap van zijn vrouw. De ontmoeting tussen de beide vrouwen is bijzonder in tweevoud want niet alleen begroeten zij elkaar met vreugde, maar ook de beide kinderen doen dit. Immers de nog niet geboren Johannes herkent de zoon van God in de schoot van zijn moeder en springt van vreugde op. De begroeting van Maria door Elisabeth wordt door de eerste beantwoordt met een lofzang op Gods grote daden, beter bekend als het Magnificat. In deze lofzang wordt een verbinding gemaakt tussen heden en verleden, oud en nieuw én met de beloften en profetieën van God die uitkomen. Hij is trouw, zoveel is wel duidelijk en Maria is door Hem uitgekozen om deze trouw totaal te belichamen. Zij is immers de nieuwe Eva en Jezus is de nieuwe Adam. God begint opnieuw door de herschepping van de mens. Daarvoor dient Jezus echter niet alleen geboren te worden maar ook zijn leven te geven op het kruis en te verrijzen op Pasen om als koning met een ijzeren staf de mensen van alle tijden te weiden. Maria wordt als de getuige bij uitstek van Gods reddende handelen onder het kruis, de Moeder van de Kerk. Deze zal in ballingschap leven tot de genoemde eindstrijd tussen goed en kwaad beslecht zal zijn. Maria is in haar eenvoud, dienstbaarheid en heiligheid of heelheid van het leven naar Gods bedoelingen, een beeld voor ons mensen om haar voorbeeld, niettegenstaande al onze beperkingen, te volgen. Tegelijkertijd is zij dé Moeder om ons daarbij keer op keer te helpen. Derhalve zijn we met Maria op weg naar Jezus. Wellicht mogen we het ook zo zeggen: ‘Maria is de norm. Ze is de vrouw die iedere mens kan navolgen.’ ….AMEN

 

Overweging, 8 augustus, 19e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

Tijdens mijn vakantie mocht ik de toren van de Stefans-dom in Wenen beklimmen. Een hele klim kan ik wel zeggen. Als je boven bent gekomen, naar buiten kijkt en de weidsheid van het zicht ervaart, dan leer je het kleine, zoals een stukje brood, nog meer te waarderen. Over het laatste hoorde ik op diezelfde dag vanwege ‘de wonderbare broodvermenigvuldiging’ mooie woorden. Een leraar die de Tweede Wereldoorlog bewust had meegemaakt en waarin er een nijpend tekort was aan zelfs een klein stukje brood, bracht op een dag een stukje versgebakken en lekker ruikend brood mee. Aan het einde van de les at hij dit brood demonstratief, met genoegen en langzaam op. De leraar had hiermee duidelijk een bedoeling. Zelfs een klein stukje brood kan de mens immers in leven houden. En ook wordt ons gevraagd om beter om te gaan met het van thuis meegebrachte brood. Dus: niet zomaar weggooien en inruilen voor een snack of iets dergelijks. Tenslotte is dankbaarheid op zijn plaats voor het feit dat wij brood, al is het maar een klein stukje, te eten hebben. Nadien was alles anders op de bewuste school, zo vertelde de predikant. Vanuit deze twee voorbeelden maken we een verbinding met de lezingen van de zondag.

Het morren over een tekort aan of over het eten zelf is in onze wereld helaas een bekend verschijnsel. Enerzijds hoeven we maar te denken aan het treurige fenomeen van de derde en vierde wereld maar anderzijds zijn wij, inwoners van de Westerse wereld, bijzonder kritisch op ons eten. Ten tijde van de profeet Elia, Mozes en Jezus, de nieuwe Mozes, was het al niet anders. Het volk Israël mort op weg naar het Beloofde land in de woestijn over het minderwaardige manna. Zo’n negen eeuwen eerder dan Jezus is de hemel, er valt drie jaar en zes maanden lang geen regen, gesloten. Er is hongersnood. En ook voorafgaand aan de wonderbare broodvermenigvuldiging heeft het volk, maar ook op een andere wijze, honger. Nadien wordt echter gemord. Waar is de honger naar God?, is de vraag die we in alle gevallen ook kunnen stellen.

  • in het 1e boek Koningen (19, 4-8) gaat de profeet Elia opnieuw op weg;
  • in de brief aan de Efeziërs (4, 30-32;5, 1-2) nodigt de apostel Paulus ons uit om ons te gedragen als de geliefde kinderen van God;
  • het Evangelie volgens Johannes (6, 41-51) zegt Jezus dat Hij het brood is dat uit de hemel is neergedaald.

De boodschapper van God, Elia, is op de vlucht voor de bedreiging van koningin Izebel, de echtgenote van de koning. Hij heeft immers op bevel van God de hemel voor drie jaar en zes maanden gesloten. De afgoderij en de ontrouw aan het verbond van de God van Israël zijn hiervan de oorzaak. De koningin heeft helemaal niets met deze God. De profeet leeft intussen van het voedsel en het water dat God hem, via de natuur en of de mensen, aanreikt. Elia heeft de afgod Baäl tot groot ongenoegen van de koningin, overwonnen door de 400 valse profeten met een offer te kijk te zetten. Alleen nu mort Elia zelf. Hij ziet het niet meer zitten. Hij is lichamelijk en geestelijk uitgeput van de strijd en de vlucht naar de woestijn. God heeft echter andere bedoelingen. Elia valt onder een bremstruik in slaap maar wordt twee keer door een engel van God gewekt en gevoed – een stukje brood en water – met het oog op de lange tocht naar de berg van God, de Horeb. Hij zal er uiteindelijk veertig dagen en nachten naar op weg zijn om er nieuwe kracht op te doen en zijn missie te voltooien. Hij ontmoet op deze plek God in de stille bries in plaats van in het natuurgeweld. Dat zegt alles over wie God is. Hij is het antwoord op Elia’s en onze lichamelijke en geestelijke vermoeidheid. Een verblijf bij Hem geeft ons waar dan ook nieuwe kracht en de wil om verder te gaan op onze levensweg met God…

In het Evangelie is er, naar aanleiding van de uitspraken van Jezus dat Hij het levende brood is dat uit de hemel is neergedaald, gemor bij de ongelovigen en de tegenstanders van Jezus als de beloofde Redder. We maken hierbij een onderscheid tussen het religieuze gezag uit Jeruzalem en het volk. De laatstgenoemde groep kent Jezus als de zoon van Maria en Jozef, de timmerman uit Nazareth. Hoe kan Hij dan in ’s hemelsnaam de Christus zijn? De eerstgenoemde groep erkent Hem al helemaal niet en vindt Hem zeer pretentieus als Hij zichzelf ‘het ware brood des levens’ noemt en ‘de weg’ naar God de Vader. Zijn ‘Ik ben’- uitspraken verwijzen naar de Godsnaam ‘Ik ben die is’ uit het Oude Testament, naar zijn God zijn. Dat wekt wrevel en woede op. Daarnaast is Hij een bedreiging door hen aan te vallen op hun gedrag. Het gemopper van het volk en het religieuze gezag is vergelijkbaar met het gemor tegen Mozes en Elia. Het is feitelijk een verzet tegen God die zijn Zoon heeft gezonden met het oog op hun en onze redding. Deze, zal zich tijdens het Laatste Avondmaal en op het kruis, een dag later, als ‘brood’ laten breken voor de mensen van alle tijden. Hij is echter meer dan het manna dat Israël op doortocht in de woestijn naar het Beloofde land heeft ontvangen. Het geloof in Hem en het eten van zijn ‘brood’ leidt tot eeuwig leven. Dit ‘brood’ wordt in iedere Heilige Mis in kleine stukjes gebroken en uitgedeeld met het oog hierop. Het is voedzaam en het heeft de geur en de smaak van eeuwig leven. Het kleine stukje brood dat wij ontvangen tijdens de Heilige Communie is hét antwoord op het soms moeizame, ongedurige, onvoldane en doelloze leven waardoor velen van ons gekweld worden in de tijd. God dagelijks of op zondag te proeven en te smaken geeft ons  moed en hoop, doet ons volharden totdat Hij ons roept bij onze naam…AMEN

 

Overweging,1 augustus, 18e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

In alle lezingen worden wij min of meer uitgenodigd om met God op ontdekkingstocht te gaan. Of met andere woorden, we worden gevraagd om niet te blijven hangen in de wonderlijke tekenen die gesteld worden in de woestijn of bij de wonderbare broodvermenigvuldiging. Nee, we worden genodigd om tot geloof in God en de daarbij behorende levensstijl te komen en of te blijven. Dit nieuwe leven is er een van vertrouwen dat doorheen de twijfel en het bevragen ons deze en de  tekenen in ons eigen leven, mag leren verstaan. En om dieper bewust te worden van Gods aanwezigheid in ons leven en in het bestaan van alle dag.

Ik kijk graag mensen in de ogen om hen werkelijk te ontmoeten van hart tot hart. Het is daarom veel meer dan lichaamstaal. Gedurende mijn vakantie kruisten vooral de blikken van jonge mensen mijn blik. Ze waren verschillend van aard. Sommigen reageerden afwijzend en of sloegen de ogen neer, anderen bloosden of straalden vervuld van openheid en liefde. Sommigen hadden een smekende blik, terwijl weer anderen een uitdagende en of volgende blik lieten zien. Hoe deze ‘tekenen’ te verstaan, zo vroeg ik Jezus, de Heer? Het deed mij ontdekken dat ik voor allen, met welke blik ook zij antwoorden, een herder of vader met de liefdevolle zorgzaamheid van een moeder, mag zijn. Echter het betekent ook het dragen van je kruis, zoals een jongeman van waarschijnlijk van de oosterse Chaldeeuwse ritus een kruisje droeg op het vliegveld, voor mij verbeelde. Sommigen wijzen je immers met hun blik af, anderen twijfelen of nemen je aan. De lezingen wijzen ons in geloof de weg…

  • in het boek Exodus (16, 2-4.12-15) moppert het volk Israël in de woestijn;
  • in de brief aan de Efeziërs (4, 17.20-24) nodigt de apostel Paulus ons uit om het nieuwe Israël te worden door het geloof in Jezus
  • het Evangelie volgens Johannes (6, 24-35) is het vervolg op de wonderbare broodvermenigvuldiging.

Het volk Israël komt in de woestijn als het ware in een crisis terecht. Heel herkenbaar want het is iets wat ons vandaag de dag ook overkomt. Wij worden immers gevraagd om ons te bezinnen op ons eigen leven en ons vertrouwen in God te stellen. Het volk heeft honger, immers de liefde van de mens gaat door de maag. En het verlangt terug naar Egypte, naar de ‘zekere’ tijd van de slavernij in plaats van naar de echte vrijheid tot God en de naaste. God geeft door Mozes een antwoord, immers Hij is hun God. Hij is zorgzaam als een moeder door hen bij monde van Mozes, brood te beloven voor de ochtend en vlees voor de avond. Hij doet dit om hen te laten ontdekken dat zij zijn volk zijn en dat Hij hun God is. En om te achterhalen of het volk werkelijk zijn leiding wil aanvaarden en hun vertrouwen in Hem wil stellen. Ook voor ons ligt deze vraag, in de tijd van de Coronapandemie en de wereldwijde crisis in menselijke relaties, de economie, de politiek en de natuur, op tafel. We zijn genodigd om al dan niet opnieuw op zoek te gaan naar en te vertrouwen in God, om Hem in de ogen te kijken…

We horen in het Evangelie een stukje uit de zogenaamde broodrede dat qua inhoud vergelijkbaar is met de instelling van de Eucharistie bij de andere drie evangelisten. Jezus is het levende brood dat ons geestelijk voedt. Na de wonderbare broodvermenigvuldiging aan de overkant van het meer van Tiberias zijn Jezus en de apostelen in de nacht vertrokken. Het aanwezige volk ontdekt dit in de ochtend en maakt de oversteek naar Kafarnaüm, de woonplaats van Jezus. Daar aangekomen gaan ze op zoek en als ze Jezus gevonden hebben stellen ze de vraag: ’Rabbi, dat betekent leraar, wanneer bent U hier gekomen?’ Hij weet echter wat er zich in hun hart afspeelt door zijn blik op hen te richten. Hij vertelt hun dat het ontvangen lichamelijk voedsel, brood en vis, in plaats van het geloof in Hem, hen beweegt om deze vraag te stellen. De liefde van de mens gaat immers door de maag. Jezus heeft niet de bedoeling om hun als zodanig terecht te wijzen maar om hun te leren dat het beter is om te gaan voor het brood van eeuwig leven. Immers Hij is dit brood uit de hemel. Door in Hem te geloven en door het stellen van daden in geloof zullen zij en wij nieuwe mensen worden op Hem gelijkend als kinderen van God. Zij en wij laten ons hierdoor niet direct overtuigen want ‘de vaderen’ ofwel de verre familieleden ontvingen het manna uit de hemel in de woestijn en zijn toch gestorven. Jezus zegt ons: ‘Ik ben het ware brood des levens’. Dat mogen wij geloven…

De apostel Paulus borduurt verder op de woorden van Jezus door te pleiten voor een nieuwe levenswijze, door niet te leven voor het moment maar voor de eeuwigheid. Herkenbaar en actueel is de boodschap voor onze tijd waarin het hier en nu, de directe consumptie en het meemaken volgens de zogenaamde ’bucket list’ zo centraal staan. Jezus echter pleit voor, bij monde van Paulus, het betrachten van de gerechtigheid en barmhartigheid in iedere situatie en ook de heiligheid van leven. Bij het  horen van deze woorden past een stralende, open en liefdevolle blik als je iemand ontmoet die je deze geschenken wil geven. Hoe dit te doen?  Een gebed van de heilige Charles de Foucauld verwoordt het zo mooi:’ Ik leg mijn leven in uw handen. Ik geef het U, mijn God, met alle liefde in mijn hart, omdat ik U liefheb. De liefde beweegt mij ertoe me aan U te geven, mijn leven helemaal in uw handen te leggen met een eindeloos vertrouwen, omdat U mijn Vader bent.’  AMEN