Overwegingen van achter ons liggende zondagen.

Overweging, 21 november, Christus Koning B 2021, door pastoor Jacques Grubben.

Het hoogfeest van Christus Koning is van recente datum. Het wordt in 1925 door paus Pius XI, ter gelegenheid van het 16e eeuwfeest van het Concilie van Nicea, op de kerkelijke kalender geplaatst. Het is echter ook de tijd waarin Mussolini en Hitler opkomen en de wereld in het verderf zullen storten. Christus is daarentegen gekomen om mensen te bevrijden. Hoe mogen we ons het koningschap van Jezus voorstellen? Is het vergelijkbaar met het kleine kindje Jezus in Praag, met een kroon en prachtige kleren aan? Nee. Is Hij vergelijkbaar met de koningsfiguur op het plein bij onze kerk in Berg en Dal, met scepter en kroon? Nee, want het is niet allereerst het triomfantalistische ‘Heers, Christus, heers’ zoals in een oud lied gezongen wordt. Maar wat dan wel? Koning Jezus draagt een vlechtwerk van doornen als kroon, heeft een rietstok als scepter en gaat blootvoets en in een purperen mantel gekleed. Dat klinkt onwerelds. Ja, Hij is de ‘lijdende dienaar’ die zijn leven geeft om ons te bevrijden van allerlei kwade machten die onder de noemer van ‘de zonden’ zijn te vatten. En wat zegt dat over ons? Als volgelingen van koning Jezus, als christenen, zijn wij namelijk koningskinderen. Dat betekent dat wij net zoals Hem dienstbaar mogen zijn aan God en de naaste. En ook dat wij het lijden dat op ons pad komt, met geduld en in vertrouwen mogen leren (ver)dragen.

De lezingen van de zondag laten dat ook zien …

  • in het boek Daniël (7, 13-14) krijgt Daniël een hemels visioen;
  • het boek Openbaring (1, 5-8) spreekt over de Komende, Jezus Christus, de trouwe getuige;
  • in het Evangelie volgens Johannes (33b-37) vertelt Jezus aan Pilatus dat koning is maar niet van deze wereld.

Daniël krijgt een nachtelijk visioen. Het is iets van bovennatuurlijke aard met een boodschap voor ons mensen. Er gaat echter iets angstaanjagends aan vooraf, het opstijgen van vier schrikwekkende dieren uit de zee. Zij staan voor de vier wereldse rijken die hebben bestaan. Er worden tronen geplaatst met een eerbiedwaardige, dat is God, in hun midden. De vier dieren worden ontdaan van hun macht en het komt tot een oordeel. In het daaropvolgende visioen verschijnt er een hemelse persoon en gelijkend op een mens, op de wolken. Hem wordt de heerschappij over alles en iedereen gegeven. De macht over hemel en aarde wordt herschikt. Wie is deze persoon? We kunnen denken aan de aartsengel  Michael, die namens God voor ons strijdt maar ook aan Daniël, de ziener of profeet zelf. Echter, niets van dit alles. God heeft het laatste woord…

De passage uit het begin van het boek Openbaring geeft het antwoord. Pakweg drie eeuwen later krijgt de evangelist Johannes een visioen over iemand die ook op de wolken komt. Het is Jezus Christus. Hij is door zijn lijden en dood op het kruis, de trouwe getuige van Gods verzoenende missie. Hij is verrezen uit het graf en derhalve de eerstgeborene van de doden. Hij is verheven aan de rechterhand van God en heeft door zijn reddend handelen, het koningschap van de hemel en de aarde verkregen. In Hem geloven betekent gered worden maar evenzeer het kinderen van God zijn. Koningskinderen, dat zijn wij als christenen. Maar we mogen ook zo goed en kwaad als het kan leven in dienstbaarheid aan God en de naaste. Het is zijn zoals Jezus, getuige zijn van Hem en daar fier op zijn.

Het gesprek tussen Jezus en Pilatus vormt de kern van het Evangelie. Er worden door de Romeinse landvoogd eigenlijk maar twee vragen gesteld. Op iedere vraag ontspint zich zoiets als een gesprek. Pilatus poogt te achterhalen of er een valide beschuldiging tegen Jezus wordt ingebracht. De eerste vraag gaat over het koningschap van de Joden. Zij is deels van politieke aard want als Jezus zegt dat Hij koning is dan kan dit uitgelegd worden als een daad van verzet tegen de Romeinse keizer. Echter Jezus kaatst de bal direct terug door te vragen of hij dit uit zichzelf of namens de beschuldigende partij, het Joodse religieuze gezag, vraagt. De landvoogd reageert geïrriteerd, immers hij is toch geen Jood. Op de tweede vraag naar wat Jezus gedaan heeft, gaat de laatste verder met het antwoord geven op de eerste vraag. Hij vertelt Pilatus dat zijn koningschap niet van deze wereld is. Dat moet hem gerustgesteld hebben. Dus toch…Jezus voegt er echter de woorden, om getuige te zijn van de waarheid of van God zelf, aan toe. Pilatus stamelt ‘Wat is waarheid?’ en beseft dat Jezus onschuldig is. Op de achtergrond speelt mogelijk de droom van zijn vrouw mee. Zij heeft hem dringend verzocht om Jezus niet over te leveren. Echter Pilatus is onvrij want niet veroordelen wordt uitgelegd als een verzet tegen de keizer. Jezus is immers koning van de Joden. En dat kost Pilatus, als het uitkomt, de kop. Dit alles is de opmaat naar het lijdende dienaar zijn van Jezus cf. de profetie van Jesaja. Hij is de Christus en zal door God na zijn verrijzenis en hemelvaart, verheven worden tot de koning van de hemel en de  aarde. Echter niet zoals een aardse koning met pracht en praal maar, door de gave van zichzelf, met een vergeestelijkt lichaam.

Ook wij mogen ons leven, letterlijk of figuurlijk, leren geven omwille van het getuigenis van Jezus en God de Vader. Ook dan komen er geen mooie kleding, kroon of scepter aan te pas. Dienstbaarheid is het kleed van de overwinning. Zeggen wij dan: ’Gezegend bent U om uw Woord dat ons leidt op wegen van waarheid. U bent de Heilige, onze God tot in lengte van dagen. …AMEN

 

Overweging, 14 november, 33e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

In het afgelopen jaar verschenen er verschillende publicaties over de Coronapandemie, het milieu en een andere manier van leven. Een aantal daarvan heb ik bestudeerd. Onze paus heeft ons tevens opgeroepen om deze zondag aandacht te besteden aan de Wereld-dag van de Armen. Zij zijn immers heel vaak het slachtoffer van de genoemde mistoestanden in de wereld. Dit alles heeft m.i. van doen met het verstaan van de tekenen van de tijd.

Wereldwijd circuleren de complottheorieën over wat de oorzaak is van de veelsoortige problemen waarmee de wereld worstelt. Zo wordt bijvoorbeeld de vraag gesteld of Corona een straf is van God? Of is het een doelbewust middel om de wereldbevolking te verminderen? Wordt Corona misbruikt om een wereldwijde nieuwe machtsstructuur te doen ontstaan met totaal andere spelregels? Verscheidene kerkelijk niet erkende boodschappen alsmede beschuldigingen naar de politiek en bedrijven worden daar onder meer voor aangedragen. Allemaal vragen, maar wat is er van waar? Bangmakerij? Laten wij onze oren en ogen geopend houden voor wat van God komt en wat niet…

Het is daarentegen heel goed verdedigbaar om te zeggen dat de natuur reageert op het onverantwoorde en ongelimiteerde gedrag van de mens. Wij zijn immers verantwoordelijk voor het ‘beheren’ in plaats van het ‘beheersen’ van de schepping. Tevens mogen wij ons eens te meer bewust zijn van de wederkomst van de Heer die dichterbij komt. Wanneer weten echter niet. We bevinden ons al met al in een spannende tijd die vergelijkbaar is met bijvoorbeeld de tijdsspanne rond het jaar 1000. Belangrijk is het derhalve om de tekenen van de tijd te verstaan. De Bijbel kan daarbij, mits zorgvuldig gelezen en verstaan, een hulpmiddel zijn. Tom Wright, een wereldbekende exegeet, doet dit heel goed bijvoorbeeld in zijn boekje over de Coronapandemie. Een eigenhandige interpretatie van de Bijbelse profetieën is niet verstandig. Daarnaast geven het op God vertrouwen en het regelmatig reflecteren op het eigen leven, richting aan ons leven. En het met Hem verbonden blijven in gebed geeft vrede in ons hart. De lezingen zijn in deze een bemoediging en een waarschuwing…

  • het boek Daniël (12, 1-3) geeft ons een bemoedigende boodschap over de bescherming van Godswege;
  • de brief aan Hebreeën (10, 10.11-14.18) spreekt over het eenmalige grootse offer van Jezus;
  • in het Evangelie volgens Marcus (13, 24-32) wordt gesproken over het verstaan van de tekenen van de tijd.

Het boek Daniël is geschreven in de eerste helft van de tweede eeuw voor Christus. Het was een tijd van grote nood en van de opstand van de Makkabeeën in het Joodse land. Een groep Godsgetrouwen verzette zich tegen de dreigende ‘secularisering’ van het Joodse geloof en de ontheiliging van de Tempel door de toenmalige koning. Hij wilde alles naar Grieks model hervormen. Deze groep geloofsgetrouwe Joden streed vurig en met succes voor het behoud van het religieuze erfgoed. Er vielen hierbij slachtoffers. Ook nu is er sprake van een grote nood, dreigt er een opstand en staat het religieuze erfgoed fors onder druk. Daniël heeft het overigens niet over de tweede eeuw voor Christus. Hij spreekt over de tijd van de grote ballingschap van het volk in het huidige Irak en Syrië, in de zesde eeuw voor Christus. Het Joodse geloof in den vreemde stond onder druk. Maar God was en is erbij, dat is immers zijn naam ‘Ik ben’ of ‘Ik zal er zijn’. Er wordt bemoedigend gesproken over de redding van de door het geloof getekenden en het opwekken van de doden. Er is immers een leven na de dood voor de Godsgetrouwen. De woorden van Daniël zijn echter ook bemoedigend voor de tijd waarin wij nu leven. Dat staat los van de vraag of we ons in een vergelijkbare tijd bevinden. Het is echter wel een tijd om ons naar God te keren. En om veel meer onze handen uit de mouwen te steken voor de mensen die minder bedeeld zijn, de armen, want ook zij horen erbij! Zij zijn immers evengoed kinderen van God. Dit zal het leven van onszelf en van anderen heiligen. En het zal ons in, met en door God uiteindelijk de overwinning bezorgen…

Het Evangelie is ergens een herhaling van zetten. De gelezen passage volgt op de aankondiging van Jezus’ lijden en verrijzen. Een bevestiging van het nieuwe leven dat ons in geloof wacht maar ook van het reddende handelen van God, door zijn enige Zoon. Er wordt gesproken over een grote nood nu in de vorm van de dagen van de verschrikkingen. De woorden duiden vrij vertaald, op chaos en wanorde zoals bij het begin van de schepping met dit verschil dat de aarde nu vol is van leven. Tegenover dit weinig aantrekkelijke beeld staat de stralende wederkomst van de Mensenzoon, Jezus. En ook nu worden de uitverkorenen, degenen die stand hebben gehouden in de grote verdrukking en de strijd omwille van het geloof, gered. Jezus gebruikt het natuurlijke beeld van het uitbotten van de vijgenboom naar de zomer toe om het bovennatuurlijke gebeuren vanuit God, te verstaan. Waakzaamheid is derhalve geboden alsmede het verstaan van de tekenen van de tijd. Br. Hans-Peter Bartels ofm vat alles duidelijk samen: ‘Als de dagen zijn geteld en de Heer zal wederkomen, hoe zal het jou en mij vergaan? Zullen wij worden meegenomen? Als de dagen zijn geteld, val je niet met de Heer naast je. Daarom mogen we blij van geest zijn, wij zullen worden meegenomen.’ …AMEN

 

Overweging, 7 november, Willibrordzondag B 2021, door pastoor Jacques Grubben.

‘God ter sprake brengen’, dat is niet alleen de taak van de geloofsverkondigers maar van iedere mens die zegt in Jezus Christus te geloven. Recent heb ik mij verdiept in een tweetal biografieën van de apostel Paulus en van Henri Nouwen, een van mijn favoriete spirituele auteurs. De eerstgenoemde gaat op elke missiereis eerst naar de synagoge om vervolgens zich tot de niet-Joden te wenden. Ondanks herhaalde mishandeling, gevangenschap en vervolging gaat Paulus er onverdroten mee door. Immers hij zegt: ‘Ikzelf leef niet meer. Het is Christus die leeft in mij.’ Ook Henri Nouwen weet van geen ophouden. In zijn colleges, lezingen en in de pastoraal wendt hij zich, dwars door zijn worstelingen heen, tot het hart van zijn leerlingen, lezers of zijn gemeenschap. Met zijn woorden: ‘De tekst (of de gesproken woorden) moet jou lezen.’

Zo is het ook met het Woord van God. Het moet iets van onszelf worden zodat het voor ons een richtsnoer wordt voor het persoonlijk leven. Kijk maar de heilige Willibrord, missionaris in de Lage Landen en de patroon van de Nederlandse Kerkprovincie. In mijn oude parochie was er een kerk en een kapel, een gilde en een muziekvereniging naar hem vernoemd. Zó had zijn leven en het door hem gebrachte goede nieuws, het leven van de gelovige mensen doordrenkt. Als je dit hoort dan ben je genegen om de conclusie te trekken dat het geloof niet dood is maar springlevend. Desalniettemin is er veel werk aan de winkel met het oog op het vieren en het doorgeven van ons prachtige geloof. We worden gevraagd om God te pas en te onpas, zoals de apostel Paulus het ons voorhoudt, ter sprake te brengen. En we mogen dat doen in eenheid met Hem en met elkaar als zijn wereldwijde Kerk. Dat geeft vreugde. ‘Gelukkig is de ziel die de vrede van Christus als fundament heeft en de liefde van God als bron en kracht.’

De lezingen op het Hoogfeest van Willibrord nodigen ons uit…

  • de profeet Jesaja (52 7-10) verhaalt over de bode die vreugdevol nieuws brengt;
  • de brief aan Hebreeën (13, 7-9a.15-17a) vraagt aandacht voor het herdenken van de leiders die de gelovigen zijn voorgegaan;
  • in het Evangelie volgens Marcus (16, 15-20) zendt Jezus zijn elf apostelen om het goede nieuws te brengen en de mensen te dopen in Gods naam.

Vandaag horen we bekende woorden van een leerling uit de school van de profeet Jesaja uit de 6e eeuw. Het zijn bemoedigende woorden die buiten de passage die wij gehoord hebben, beginnen met ‘Troost, troost mijn volk’. Kort daarna is het ‘Juich, juich mijn volk’ en de reden daartoe is de terugkeer van de Heer naar Sion. Deze woorden hebben iets van de evangelische vreugde en zijn als het ware een prelude op de komst van de beloofde Redder, Jezus Christus. Vanaf de bergen of spreekwoordelijk uit de hoogte, de hemel, komt het woord van de God die regeert, tot de inwoners van Jeruzalem. Het zegt zoveel als dat Hij leeft en dat Hij zich het lot van het volk Israël in ballingschap heeft aangetrokken. Immers de God van Israël is barmhartig. Hij bevrijdt en verlost, en met het op het oog op het Evangelie, niet alleen het Joodse volk maar iedereen die in Hem durft te geloven. Dat brengt een grote vreugde net zoals bij de heidenen of de niet-Joden als zij van de apostel Paulus horen dat de God van Israël zich ook tot hen richt. Hierin klinkt opnieuw iets van de eerdere en vreugdevolle woorden ‘Gelukkig is de ziel die…’

Jezus zendt in het Evangelie zijn vreugdebodes ofwel de apostelen uit om het goede nieuws in navolging van Hem, te brengen. Vooraf heeft Hij hen net zoals de profeet Jesaja voor deze opdracht en zijn terugkeer naar de hemel, bemoedigd. Jezus vraagt om overal naar toe te gaan. Hij is immers als de beloofde Redder zelf het goede nieuws. Zij moeten het Evangelie verkondigen en de mensen dopen. De zending moet zich echter niet alleen uiten in woorden maar zeker ook in daden. De apostelen krijgen daartoe de kracht en de genade bij de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren. Hierdoor zullen zij nieuwe talen spreken, kwade geesten uitdrijven, zieken genezen en slangen opnemen. Het laatste mogen wij wellicht zowel letterlijk als figuurlijk nemen, zijnde de zorg voor iedere naaste in de naam van God.

De apostelen zijn de eerste leiders van de Kerk die Jezus op het kruis met de tot Maria en Johannes gesproken woorden ‘Zie daar uw moeder’ en ‘Zie daar uw zoon’, heeft gesticht. Zij moeten God ter sprake brengen en het Evangelie aan iedereen voorleven. Wij mogen een voorbeeld nemen aan hun leven niet alleen door hen te gedenken maar vooral door hen na te volgen. Immers, door de eeuwen heen, zijn zij en hun opvolgers, de leiders van de gemeenschap der gemeenschappen, de wereldwijde Kerk. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: ‘Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.’ Zij en wij hebben met andere woorden de opdracht om onszelf en anderen er op te wijzen om de theorieën die geloofsafval veroorzaken, links te laten liggen. Tevens mag het loven van de Heer in woorden maar vooral in daden, een dagdagelijks gebeuren zijn. We mogen solidair zijn met iedere mens immers Jezus Christus was, is en zal dit met ons zijn. Zijn naam is ‘Ik zal er zijn’. Steeds mogen wij God ter sprake brengen. En Hij zorgt er met onze medewerking voor dat ons ons geloof en dat van anderen niet uitdooft maar wordt doorgegeven…AMEN

‘God ter sprake brengen’, dat is niet alleen de taak van de geloofsverkondigers maar van iedere mens die zegt in Jezus Christus te geloven. Recent heb ik mij verdiept in een tweetal biografieën van de apostel Paulus en van Henri Nouwen, een van mijn favoriete spirituele auteurs. De eerstgenoemde gaat op elke missiereis eerst naar de synagoge om vervolgens zich tot de niet-Joden te wenden. Ondanks herhaalde mishandeling, gevangenschap en vervolging gaat Paulus er onverdroten mee door. Immers hij zegt: ‘Ikzelf leef niet meer. Het is Christus die leeft in mij.’ Ook Henri Nouwen weet van geen ophouden. In zijn colleges, lezingen en in de pastoraal wendt hij zich, dwars door zijn worstelingen heen, tot het hart van zijn leerlingen, lezers of zijn gemeenschap. Met zijn woorden: ‘De tekst (of de gesproken woorden) moet jou lezen.’

Zo is het ook met het Woord van God. Het moet iets van onszelf worden zodat het voor ons een richtsnoer wordt voor het persoonlijk leven. Kijk maar de heilige Willibrord, missionaris in de Lage Landen en de patroon van de Nederlandse Kerkprovincie. In mijn oude parochie was er een kerk en een kapel, een gilde en een muziekvereniging naar hem vernoemd. Zó had zijn leven en het door hem gebrachte goede nieuws, het leven van de gelovige mensen doordrenkt. Als je dit hoort dan ben je genegen om de conclusie te trekken dat het geloof niet dood is maar springlevend. Desalniettemin is er veel werk aan de winkel met het oog op het vieren en het doorgeven van ons prachtige geloof. We worden gevraagd om God te pas en te onpas, zoals de apostel Paulus het ons voorhoudt, ter sprake te brengen. En we mogen dat doen in eenheid met Hem en met elkaar als zijn wereldwijde Kerk. Dat geeft vreugde. ‘Gelukkig is de ziel die de vrede van Christus als fundament heeft en de liefde van God als bron en kracht.’

De lezingen op het Hoogfeest van Willibrord nodigen ons uit…

  • de profeet Jesaja (52 7-10) verhaalt over de bode die vreugdevol nieuws brengt;
  • de brief aan Hebreeën (13, 7-9a.15-17a) vraagt aandacht voor het herdenken van de leiders die de gelovigen zijn voorgegaan;
  • in het Evangelie volgens Marcus (16, 15-20) zendt Jezus zijn elf apostelen om het goede nieuws te brengen en de mensen te dopen in Gods naam.

Vandaag horen we bekende woorden van een leerling uit de school van de profeet Jesaja uit de 6e eeuw. Het zijn bemoedigende woorden die buiten de passage die wij gehoord hebben, beginnen met ‘Troost, troost mijn volk’. Kort daarna is het ‘Juich, juich mijn volk’ en de reden daartoe is de terugkeer van de Heer naar Sion. Deze woorden hebben iets van de evangelische vreugde en zijn als het ware een prelude op de komst van de beloofde Redder, Jezus Christus. Vanaf de bergen of spreekwoordelijk uit de hoogte, de hemel, komt het woord van de God die regeert, tot de inwoners van Jeruzalem. Het zegt zoveel als dat Hij leeft en dat Hij zich het lot van het volk Israël in ballingschap heeft aangetrokken. Immers de God van Israël is barmhartig. Hij bevrijdt en verlost, en met het op het oog op het Evangelie, niet alleen het Joodse volk maar iedereen die in Hem durft te geloven. Dat brengt een grote vreugde net zoals bij de heidenen of de niet-Joden als zij van de apostel Paulus horen dat de God van Israël zich ook tot hen richt. Hierin klinkt opnieuw iets van de eerdere en vreugdevolle woorden ‘Gelukkig is de ziel die…’

Jezus zendt in het Evangelie zijn vreugdebodes ofwel de apostelen uit om het goede nieuws in navolging van Hem, te brengen. Vooraf heeft Hij hen net zoals de profeet Jesaja voor deze opdracht en zijn terugkeer naar de hemel, bemoedigd. Jezus vraagt om overal naar toe te gaan. Hij is immers als de beloofde Redder zelf het goede nieuws. Zij moeten het Evangelie verkondigen en de mensen dopen. De zending moet zich echter niet alleen uiten in woorden maar zeker ook in daden. De apostelen krijgen daartoe de kracht en de genade bij de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren. Hierdoor zullen zij nieuwe talen spreken, kwade geesten uitdrijven, zieken genezen en slangen opnemen. Het laatste mogen wij wellicht zowel letterlijk als figuurlijk nemen, zijnde de zorg voor iedere naaste in de naam van God.

De apostelen zijn de eerste leiders van de Kerk die Jezus op het kruis met de tot Maria en Johannes gesproken woorden ‘Zie daar uw moeder’ en ‘Zie daar uw zoon’, heeft gesticht. Zij moeten God ter sprake brengen en het Evangelie aan iedereen voorleven. Wij mogen een voorbeeld nemen aan hun leven niet alleen door hen te gedenken maar vooral door hen na te volgen. Immers, door de eeuwen heen, zijn zij en hun opvolgers, de leiders van de gemeenschap der gemeenschappen, de wereldwijde Kerk. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: ‘Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid.’ Zij en wij hebben met andere woorden de opdracht om onszelf en anderen er op te wijzen om de theorieën die geloofsafval veroorzaken, links te laten liggen. Tevens mag het loven van de Heer in woorden maar vooral in daden, een dagdagelijks gebeuren zijn. We mogen solidair zijn met iedere mens immers Jezus Christus was, is en zal dit met ons zijn. Zijn naam is ‘Ik zal er zijn’. Steeds mogen wij God ter sprake brengen. En Hij zorgt er met onze medewerking voor dat ons ons geloof en dat van anderen niet uitdooft maar wordt doorgegeven…AMEN

 

Overweging AH/AZ, 1 en 2 november, B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

In het periodieke blad van Kerk in Nood kwam ik twee voorbeelden tegen van een heilig leven. Allereerst van moeder Teresa, die na haar overlijden door de Kerk ook officieel is erkend als een heilige. Wachtend met een ander op een taxi in Rome, stopte er onverwacht een verheugde man in een auto. Hij vroeg haar: ‘Moeder waar wacht u op?’ Het prachtige antwoord luidde: ‘Ik wacht op de hemel, mijn zoon.’ Het tweede voorbeeld is van een ernstig verlamde jongeman. Een zuster Franciscanes vroeg hem: ‘Robi, zou je niet liever kunnen lopen?’ En deze als een onbevangen ziel aan wie het koninkrijk van de hemel behoort zei: ‘Ja, als er geen hemel zou zijn, wel.’

De hemel is voor iedereen geopend. Dat is al het geval sinds de verrijzenis van Jezus Christus. Ook wij zijn geroepen om een heilig leven te leiden en om heilig te worden. Het betekent zoveel als een ‘heel’ mens worden naar Gods bedoelingen of het volledig beantwoorden aan het beeld en gelijkenis naar wie wij geschapen zijn. Immers wij stammen van de hemel af en wij zijn ernaar op weg. De richtlijnen hiervoor zijn verwoord in het evangelie van de zaligsprekingen. Kort samengevat vinden wij dit ook terug in de tien geboden met als kern, de liefde tot God en de naaste. Het vraagt van ons mensen een omkeren naar God die naar ons toegekeerd staat in de persoon van Jezus Christus, onze Verlosser. Dit sluit aan bij de oproep uit de Heilige Schrift: ‘Bekeert U want het rijk der hemelen is nabij.’ Jezus is zelf het rijk der hemelen, want in Hem is God ten volle aanwezig. Door in Hem volhardend te geloven is de hemel binnen handbereik. En als de hemel voor allen geopend en binnen handbereik is dan mogen wij hoopvolle christenen zijn. Dat is geen goedkope troost maar een werkelijkheid die aan gelovigen én ongelovigen houvast biedt. In deze hoop hebben degenen die wij vandaag bijzonder gedenken en ons in geloof zijn voorgegaan, geleefd. Zij zijn op weg naar of zijn in de hemel aangekomen waar zij leven te midden van de heiligen. Wij mogen hier op aarde net zoals moeder Teresa en Robi wachten op en verlangen naar de hemel. Laten we dan ook net zoals zij ons leven hierop inrichten…

Luisteren wij naar twee lezingen van Allerheiligen…

  • in het boek Openbaring (7, 2-12) horen wij over de 144.000 getekenden en een grote menigte die God en het Lam de lof toezingen;
  • in het Evangelie volgens Mattheüs (5, 1-12) ontvouwt Jezus in de Bergrede als het ware zijn pastoraal programma.

We kunnen ons op grond van de woorden uit het boek Openbaring afvragen of er sprake is van een eindtijd. Ja, omdat de eindtijd begonnen is met het verblijf van Jezus Christus, de zoon van God die mens geworden op aarde. En nee, we weten niet of we al op het eindpunt zijn aanbeland. We lezen uit hoofdstuk zeven, tussen die van zes en acht die een beschrijving zijn van een deel van de eindtijd in zeven bedrijven. Ze zijn niet chronologisch maar thematisch gerangschikt volgens theologen. De plaats van handeling is de hemel. In de lezing wordt een geestelijk beeld van de evangelist Johannes beschreven. Er staan vier engelen op de hoeken van de wereld zoals er vier windrichtingen zijn volgens het gedachtengoed van de eerste eeuw. Zij hebben de opdracht om schade toe te brengen aan de aarde en haar bewoners. Echter niet voordat de gelovige volgelingen van Jezus met een teken op hun voorhoofd getekend zijn. Mogelijk is dit het teken van het kruis want hierin hebben zij standgehouden in de vervolging van de christenen. En deze heeft vele vormen zoals misleiding, verslaving en andere uitdrukkingen van geloofsafval. Op verschillende plaatsen in de Heilige Schrift is er sprake is van een zegel als redding. Zo is er het bloed op de deurposten van het volk Israël bij de tiende plaag voor de bevrijdende uittocht uit Egypte. Of het teken op het voorhoofd van degenen van Israël die zich verzet hebben tegen de gruweldaden tegen God van volksgenoten vlak voor de grote ballingschap in Babylonië. In het boek Openbaring wordt gesproken over 144.000 als een symbolisch getal voor het nieuwe Israël. Twaalf maal twaalfduizend op basis van de twaalf grondstenen van het nieuwe Jeruzalem. De redding van ons mensen is echter voor iedereen bedoeld. De grote niet te tellen menigte in witte gewaden heeft door de tijd heen- zie 20e/21e eeuw -, hevig geleden onder de vervolging van de christenen. Zij zijn overeind gebleven door hun blik onveranderlijk op de hemel te richten, zoals moeder Teresa en Robi. Vandaaruit mogen wij ons heil verwachten. Het zeer regelmatig ontvangen van de sacramenten, het luisteren naar het woord van God en het voortdurende gebed heeft hen gevoed en gesterkt op de weg naar huis.

Zij hebben een heilig leven geleid door de zaligsprekingen uit het Evangelie niet alleen serieus te overwegen maar ook in acht te nemen. Immers deze brengen ons, net zoals de berg vanwaar af Jezus het volk toespreekt, dichter bij ons einddoel, de hemel. Er is sprake van een grote menigte die een sterk verlangen heeft naar de Goede Herder. Zij zijn als een kudde zonder herder. Velen zijn, zoals ook in onze tijd, verdwaald en of dreigen verlopen te lopen. Waar Mozes het Joodse volk door de hand van God, veilig geleidde naar het beloofde land Israël zo doet Jezus dit eeuwen later en nog steeds. Hij is de nieuwe Mozes van het nieuwe Israël, het christenvolk dat op weg is naar de hemel. Hij geeft eenieder wegwijzers voor het geluk mee. Daarin is echter het menselijk lijden dat ons kan treffen, ingesloten maar het hemels geluk ligt in alle gevallen in het verschiet. Het zijn geluk-wijzers om na onze komst uit de hemel door onze geboorte, op weg te gaan en om terug te keren naar de hemel. God wacht immers op ons. En het gaat er niet om hoeveel je maar wat je gedaan hebt, geen kwantiteit maar kwaliteit derhalve. Woorden zoals nederig – en barmhartigheid, rouw – en zachtmoedigheid en oprecht – en vredelievendheid worden van ons gevraagd. Of kortgezegd, de liefde jegens God en de naaste. Moeder Teresa en Robi hebben dit naar beste kunnen gedaan. AMEN

 

Overweging, 24 oktober, 30e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

‘Maak dat ik zien kan’, dat kan volgens mij op twee manieren. Met de ogen om rond te kijken en om er helemaal bij te horen. Hoe vaak worden of voelen blinde mensen zich niet buitengesloten…? Alsook met de ogen van het hart zien door het aanvoelen van een situatie of een persoon en of een begrijpen in geloof. Echter hoe vaak is er in beide gevallen niet sprake van een verstarde blik of een in blindheid in innerlijke zin…?

Sinds enige tijd ben ik een roman aan het lezen met de raadselachtige titel ‘Klont’. Het handelt over de impact van data op onze samenleving en dan met name over de mate waarin zij invloed hebben of krijgen op de gang van zaken of zelfs een ‘eigen’ leven gaan leiden. Denk maar eens aan zoiets als nepnieuws en of de mogelijkheid van een verstarde of blinde blik op data bij het bestrijden van een fenomeen als een pandemie. De eerste prioriteit in onze samenleving moet en niet alleen vanuit ons geloof, gericht zijn op de mens als persoon in plaats van de mens als een set van data. De hoofdpersoon in de genoemde roman krijgt dit op tijd en vlak voor een poging tot zelfmoord in de gaten. Hij kiest voor de liefde van zijn echtgenote en hun gezin. Het ‘zien’ van het mooie dat God in iedere mens heeft gelegd is immers meer dan de moeite waard. Hij of zij is door Hem gewild én geliefd. Dit te weten geeft licht, ook al ben je fysiek blind omdat je weet door je innerlijk oog, dat je gezien wordt en dat je er mag zijn zoals je bent. Dit geeft ruimte om te ademen, te herademen en het geeft hoop en dat, doet leven…

Laten we samen naar de lezingen luisteren.

  • de profeet Jeremia (31, 7-9) brengt namens God de hoopvolle boodschap van de redding van zijn volk Israël;
  • de brief aan de Hebreeën (5, 1-6) spreekt over het hogepriesterschap van Aaron en Jezus;
  • in het Evangelie volgens Marcus (10, 46-52) geneest Jezus een blinde man in Jericho.

De eerste lezing handelt over een tijd van herstel voor het volk van Israël. De profeet Jeremia heeft het over het terugbrengen uit de ballingschap naar hun eigen land alsmede over het verzamelen van het verstrooide volk van heinde en verre. De God van Israël bekommert zich persoonlijk over de onderdrukten en de vervolgden in precaire situaties. En dat is geen kwestie van het hebben van een set van data over de menselijke personen die het betreft, maar zij en wij gaan Hem aan het hart. Zijn barmhartige blik is gericht op het volk. Hij wil hen en ook ons omsmeden tot een vitale gemeenschap en terugbrengen tot het echte leven met Hem en elkaar. Zo ontstaat er ruimte om te herademen in de Geest van God. Dat doet leven en geeft vreugde want ‘geweldig was het wat de Heer hun, wat de Heer ons deed’.

Op een soortgelijke wijze brengt Jezus door zijn levensgave mensen terug van hun dwaalwegen. Zijn verlossend of genezend handelen in zijn identiteit als de Hogepriester van God bij uitstek, mogen ons tot vreugde stemmen. Het brengt ons terug in de liefdesgemeenschap met mensen en tot het echte leven in en met God. Zo ook vandaag als Hij in Jericho een blinde man zonder naam ontmoet. Hij staat bekend als Bartimeüs, vertaald is dit de zoon van Timeüs. Het Latijnse werkwoord timere betekent overigens vrezen. En dat doet deze blinde man. Hij vreest God maar dat weerhoudt hem er niet van Jezus luid en duidelijk aan te spreken als de zoon van David, ofwel de beloofde Messias van God. De laatstgenoemde komt immers uit het geslacht van David. Bartimeüs legt met deze woorden twee keer een krachtig geloofsgetuigenis af. Ondanks het rumoer van anderen, en misschien ook wel van ons, rondom de man om vooral te zwijgen blijft Jezus staan. Hij haalt hem binnen de gemeenschap waarvan hij door zijn blindheid is buitengesloten. Hij springt op, werpt zijn mantel af en gaat naar Hem toe. Dat is op zich al een wonderlijk gebeuren voor een blinde man maar wij mogen deze woorden benaderen van zijn innerlijk zien. Hij bezit al zoiets als een Messiaanse vrijheid in God om met een groot vertrouwen om op Jezus toe te gaan. Deze vraagt de blinde wat Hij voor hem kan doen. En dan volgen de woorden van het begin ‘Maak dat ik zien kan’. Het innerlijk oog van Bartimeüs heeft Jezus zoals gezegd al gezien door zijn sterke geloof in Hem als de beloofde Messias. Nu het uiterlijk oog nog. Jezus weet dit en Hij antwoordt bevestigend: ‘Uw geloof heeft u genezen’. Opnieuw worden niet de bijbehorende data van deze menselijke persoon bezien maar wordt de persoon zelf gezien. Hij is door God gewild en geliefd. En dat is een verademing! Het doet leven hetgeen tot uitdrukking komt in de laatste woorden van het Evangelie ‘Terstond kon hij zien en sloot zich bij Hem aan.’  Dat is de nieuwe wereld van God die perspectief biedt aan mensen. Tegelijkertijd is het een oproep tot het navolgen van het voorbeeld van de blinde man. Jezus zien met het innerlijk oog, dat is geloven en Hem volgen.

Ik eindig met een gebed van paus Franciscus uit de encycliek ‘Fratelli Tutti’: ‘Open onze harten, voor alle volkeren en landen op aarde, zodat we het goede en het mooie kunnen zien dat U in elk van ons gezaaid heeft. Zodat er een echte verbondenheid kan groeien en gemeenschappelijke projecten en gedeelde dromen ons dichter bij elkaar brengen en bij U brengen (eigen toevoeging).’ …AMEN

 

Overweging, 17 oktober, 29e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

Voor de zomervakantie viel mijn oog op het nieuwe boek van een protestantse hoogleraar met de spraakmakende titel ‘Maria, icoon van genade’. Kort samengevat: boeiend, stof voor gesprek en een goede raad, het dagelijks bidden van de lofzang van Maria, het Magnificat. Haar jawoord op het moederschap van de zoon van God vormt het begin hiervan. De invulling van de reddende missie van Jezus is het vervolg. Zowel het offer van zijn leven – ‘Zie hier ben Ik om uw wil te doen’ – als het jawoord van de moeder – ‘Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiedde naar uw woord’, zijn echter geen goedkope gaven. Het is geen ‘voor wat, hoort wat’ maar zij zijn een ultiem gebaar van liefde. Het is ‘het drinken van de beker’ waarover Jezus in het evangelie  spreekt.

Maria, is door haar medewerken gedurende haar gehele leven, een icoon van genade. Ook wij worden gevraagd om, tegen de achtergrond van ons geloof en het lijden dat ons ten deel valt, mee te werken met de ons geschonken genade. Dit betekent dat wij als christenen, uit de spreekwoordelijke beker mogen drinken die ons wordt aangereikt om datgene wat nog ontbreekt aan Jezus’ lijden, aan te vullen. Echter dat is geen goedkope (zelf) gave. Het is een opgave in overgave. Wij zijn geroepen om net als Maria, een icoon van genade te worden. Met de woorden uit een gedicht van Martinus Nijhoff ‘De moeder, de vrouw’ mogen we met vertrouwen en samen met haar op weg gaan: ’…Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.’

Aan de hand van de lezingen mogen wij deze uitnodiging verdiepen.

  • de profeet Jesaja (53, 10-11) spreekt over de lijdende dienaar die door God vernederd wordt;
  • de brief aan de Hebreeën (4, 14-16) vertelt over de nieuwe Hogepriester, Jezus Christus;
  • in het Evangelie volgens Marcus (10, 35-45) vragen de apostelen Johannes en Jacobus om de plaatsen rechts en links van Jezus.

Als we lezen uit de hoofdstukken 40 tot en met 55 dan hebben we niet te maken met de oorspronkelijke profeet Jesaja maar met iemand uit de 6e of 5e in plaats van de 8e eeuw voor Christus. We noemen hem Deutero-Jesaja. Hij schrijft in de laatste tijd van of na de grote ballingschap in Babylonië, het huidige Irak. Cyrus is de koning van het grote Perzische rijk. Hij heeft op verzoek van de Heer, het Joodse volk een vrijgeleide gegeven om terug te keren naar Juda. Hij handelt hierdoor als een ‘dienaar’ van de God van Israël. We beginnen vandaag op het moment dat de Heer besluit om zijn dienaar door middel van het lijden te vernederen. Over welke dienaar heeft de schrijver het? Is het de ‘profeet’ zelf die vaak als een dienaar Gods wordt geduid? Nee, het lijkt er eerder op dat koning Cyrus zelf bedoeld wordt die te lijden krijgt vanwege zijn genomen besluit. Zijn lijden is vergelijkbaar met een zoenoffer voor het rechtvaardigen van anderen. Tegelijkertijd mogen wij de woorden ook zien als een verwijzing naar het toekomstige offer van de ‘lijdende dienaar’ dat Jezus, de zoon van God, zal dragen voor het volk Israël en alle mensen. Als we het vergezicht van het licht en de verzadiging in ogenschouw nemen als een beeld van de verrijzenis, dan wordt deze gedachte alleen maar verder versterkt. Desalniettemin is het genoemde lijden geen ‘goedkope’ gave maar een op – en overgave in vertrouwen met het beloofde licht aan het einde van de tunnel. Het doet mij denken aan het grote vertrouwen van Maria op Stille zaterdag maar ook aan psalm 33: ‘Maar het is God die zijn dienaars bewaakt…dat Hij hen zal redden van de dood. Daarom vertrouwt ons hart op de Heer, is Hij ons een schild en een helper.’

Hoe nu een verbinding te maken met het uit menselijk onbegrip gedane verzoek van de apostelen Johannes en Jacobus? Jezus reageert met begrip, liefde en in tweevoud op het ongewone verzoek van beiden. Hij is immers de ‘lijdende dienaar’ bij uitstek. Allereerst wijst Hij hen er op dat zij zich niet bewust zijn van wat zij vragen. Hij voelt, als de nieuwe Hogepriester, mee met de menselijke zwakten waarover gesproken wordt in de brief aan de Hebreeën. Daarna neemt Hij hen bij hand om op een diepere laag van verstaan te wijzen op de door Hem en in de toekomst door hen te drinken lijdensbeker. Op een menselijke en zelfs  overmoedige wijze verklaren beide broers zich daartoe bereid. Mogelijk bewegen zij zich echter toch al op een dieper niveau van geloof. Ik verwijs naar het moedige gedrag van Johannes om Jezus te volgen tot onder het kruis en van Jacobus die als eerste Hem zal volgen in de marteldood. Precies weten doen we het niet. Daarna volgt, na het boze commentaar van de overige apostelen, de derde lering. Jezus vertelt hen en ons dat ‘Wie de grootste wil zijn onder u moet dienaar van u zijn.’ Immers door zijn menswording heeft Jezus zijn koninklijke majesteit afgelegd, is Hij klein geworden, om door zijn verzoenende en niet goedkope levensgave de dienaar van allen te worden. In de genoemde brief aan de Hebreeën zegt Hij kort en krachtig tegen de Vader: ‘Zie, Ik ben gekomen om Uw wil te doen.’ Maria antwoordt de aartsengel Gabriel nadien in de tijd op soortgelijke wijze: ‘Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiedde naar Uw woord.’ Deze woorden zijn in haar vleesgeworden. Zij heeft ze gedurende haar gehele leven als een icoon van en met de genade geleefd. Wij worden genodigd om door ons jawoord haar woorden te beamen en met een groot vertrouwen in God, haar voorbeeld te volgen. Immers Gods hand zal ons bewaren…AMEN

 

Overweging, 10 oktober, 28e zondag B 2021, door pastoor Jacques Grubben.

In de maandelijkse uitgave ‘Woord van Leven’ van deze maand trof ik een mooi getuigenis aan. Odile, die als kokkin werkzaam is in een verpleegtehuis, loopt op een dag op de gang en krijgt een verzoek. Een bewoonster vraagt achtereenvolgens om een glas water, om een paar minuten van haar tijd, om samen te bidden en om samen te zingen. Deze vrouw wordt hier gelukkig van en overlijdt in gelukzaligheid. Korte tijd later wordt Odile ontslagen. Ze mag immers geen contact hebben met de bewoners. Er is echter geen sprake van winst of verlies maar alleen maar van winst. Odile is in de vrede door wat zij heeft mogen doen voor haar naaste. Ze gaat immers niet voor de schatten op aarde maar ze verzamelt schatten in de hemel.

In een van de landelijke dagbladen werd een paar dagen eerder, mijn aandacht getrokken door de recensie over een boekje met als titel ‘Het schriftje uit Bor’. Het betrof een aantal gedichten van de internationaal bekende Hongaarse dichter Miklos Radnoti die in 1944 op een dodenmars overleed. Met andere woorden, oorlogsliteratuur van een vaderlandslievende en tot het katholicisme bekeerde Joodse schrijver. Een gedicht raakte mij heel in het bijzonder omdat het hoogst actueel is. Het heeft als titel ‘Fragment’. De dood en het verraad staan hierin boven het leven, het doden van een kind boven de liefde van een moeder en het zwijgen boven het spreken. Er is sprake van een gebrek aan liefde voor de naaste en van het niet in de vrede met God zijn. Het is een verlies voor alle betrokkenen. Het verzamelen van schatten in de hemel staat op de achtergrond…

Vandaag worden ons een aantal morele principes aangereikt. Het zijn de tien woorden uit de Wet van Mozes. Of beter gezegd, de woorden die betrekking hebben op de liefde voor de naaste. Ze staan echter in een nauwe verbinding met de liefde tot God want het ene kan niet zonder het andere. De Internationale Rechten van de Mens uit 1948 zijn er mede op gebaseerd.

Laten we ons verder verdiepen in de lezingen…

  • in het boek Wijsheid (7, 7-11) wordt de wijsheid van God als een kostbare schat aangewezen;
  • de brief aan de Hebreeën (4, 12-13) vertelt ons dat er voor God niets verborgen is;
  • in het Evangelie volgens Marcus (10, 17-30) gaat over de rijke jongeling en het volgen van Jezus.

Feitelijk resoneren in de passage van het boek Wijsheid de woorden van de jonge Salomo nadat hij zijn vader David als koning heeft opgevolgd in het eerste boek Koningen. Hij bidt God om wijsheid en inzicht want er is een groot rijk te besturen en hij is onervaren. Deze bede om goed van kwaad te kunnen onderscheiden en niet in te zetten op het verzamelen van aardse schatten, bevalt God. We zouden het met een beetje goede wil kunnen vergelijken met de keuze van Odile, die kiest voor de aandacht voor de naaste. De betreffende vrouw die door haar goedheid gelukkig is vraagt God om haar te zegenen. Zo zegent God ook Salomo met een onovertroffen wijsheid en inzicht en wel zodanig dat de koningin van Sheba hiervoor naar Jeruzalem reist. Tegen de achtergrond weerklinken de woorden van psalm 90 die we gebeden hebben: ‘God verleen mij van nu af uw rijkste zegen en laat heel mijn leven gelukkig zijn’.

Een rijke jongeling komt Jezus in het Evangelie tegemoet, knielt voor Hem neer en spreekt Hem aan als ‘goede Meester’. Hij stelt Jezus de vraag wat hij moet doen om het eeuwig leven te verwerven. Voordat Hij daarop ingaat vraagt Jezus de jongeman waarom Hij Hem goed noemt. Alleen God is goed. We mogen dit enerzijds uitleggen als een verwijzing naar de Algoedheid van God de Vader maar anderzijds misschien ook wel als een indirecte bevestiging van zijn zoon van God zijn. Daarna geeft Jezus antwoord op de vraag. Het onderhouden van de tien woorden of geboden brengt het eeuwig leven voor mensen binnen handbereik. De liefde voor God drukt zich uit in de liefde voor de naaste door Hem te herkennen in ieder van hen. De jongeling heeft dit, zo goed en zo kwaad als dit kan, geprobeerd; dat is de uitleg die veelal aan deze woorden wordt gegeven. Dit bevalt Jezus en Hij kijkt hem liefdevol aan. Hij vraagt hem daarna om alles achter te laten wat hij bezit om Hem geheel en al te volgen. Dat is echter te veel gevraagd want de jongeman is erg rijk en gebonden aan zijn aardse schatten. Teleurgesteld vertrekt hij. Is Jezus tegen rijkdom? Nee, in het geheel niet maar wel als je er aan ‘vast zit’ of het je leven grotendeels bepaalt. Dat is spreekwoordelijk ‘de dood in de pot’ want verslavende rijkdom verstoort de relatie met de naaste en ook met God.

Het woord van God, van Jezus, is als een tweesnijdend zwaard. Het zorgt immers voor een onderscheiding tussen de mensen die hun geluk zoeken in het verzamelen van aardse schatten en degenen die zich richten op het hemelse. Kortom, Jezus vraagt om een keuze net zoals Odile wordt gevraagd om een keuze tussen het niet toegestane zorg hebben voor de naaste of het behoud van haar baan. Het tweede voorbeeld is nog scherper geformuleerd door de keuze voor het leven of de dood. In alle gevallen gaat het echter om de liefde voor de naaste door het doen van het goede en het voorbeeld zijn voor de ander. We worden immers, zo zegt de auteur van de Hebreeënbrief, aan het einde van ons leven gevraagd om rekenschap af te leggen over onze daden. God zal dan niet informeren naar onze prestaties maar naar de liefde die wij betoond hebben aan onze naaste en daardoor aan Hem. Dat is uiteindelijk het goede dat we te doen hebben. Desondanks zeggen we ook: ‘Daar waar je schat is daar zal ook je hart zijn.’ AMEN

Overweging, 3 oktober, 27e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

‘Wat God verbonden heeft…’ zijn de sleutelwoorden van deze zondag. God is liefde zegt de apostel Johannes en wij mensen zijn geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Dat betekent volgens mij dat het onze belangrijkste opdracht is om  te proberen liefde te zijn in willekeurig welke relatie dan ook. Maar dat valt nog niet mee, dat heeft de situatie bij ons thuis mij wel geleerd.

Een paar weken geleden kreeg ik het verlangen om mij te verdiepen in het leven van Carlo Acutis. Deze jongeman is op vijftienjarige leeftijd aan een agressieve vorm van leukemie overleden. Vorig jaar is hij zalig verklaard omdat een kind op zijn voorspraak wonderlijk is genezen. Drie dingen springen eruit. Hij was een ‘vriend’ van Jezus en dat uitte zich in een grote luisterbereidheid voor en dienstbaarheid naar iedere mens. Hij wilde niet de beste van de klas zijn maar de liefde die God is, verwoorden in zijn daden. Hij was in zijn korte leven ‘op reis’ naar Jezus. Zijn leven in sneltreinvaart gaf hij vorm in de dagelijkse gebeden en het dagelijks deelnemen aan de Eucharistie. Maar ook door het zeer regelmatig zuiveren van zijn ziel door Gods vergeving in de biecht. Daardoor kreeg de liefde van God alle kans om door hem heen te stromen, vrucht te dragen en naar andere mensen uit te gaan. Tenslotte werd zijn mond gesierd met een prachtige en oprechte glimlach die velen en ook mij diep in het hart geraakt heeft. Hij wist dat hij als een origineel van God die liefde is, was geschapen en hij wilde onder geen enkele voorwaarde eindigen als een fotokopie. Het zijn deze krachtige woorden die verwijzen naar de bedoeling van de Bijbelse woorden ‘Wat God verbonden heeft…’ Met de genade van God en met de onverschrokken moed en zuiverheid die Carlo sierden, mogen wij proberen om de liefde in elke relatie te laten overwinnen. Dan staan ‘we samen sterk voor God’, dat is het motto van de Wereldmissiedag voor kinderen.

Laten we terugkeren naar de lezingen…

  • in het boek Genesis (2, 18-24) wordt gesproken over de schepping van man en vrouw;
  • de brief aan de Hebreeën (2, 9-11) handelt over de menswording van de zoon van God;
  • in het Evangelie volgens Marcus (10, 2-16) spreekt Jezus over het huwelijk tussen man en vrouw.

Het is een verhaal van het begin dat we vandaag horen in Genesis, het eerste boek van de Bijbel en het eerste boek van de Pentateuch, de vijf boeken van Mozes. God schept, onderscheidt en vormt, licht en donker, water en land, hemel en aarde, plant en dier en als laatste de mens. De laatstgenoemde wordt gevormd uit rode aarde en de geest van God. De kleur rood is mogelijk een verwijzing naar de levensstroom van het bloed maar ook van de liefde. De mens geschapen naar zijn beeld en gelijkenis is alleen. God luistert en er komt verandering in want de mens is geschapen voor de gemeenschap want God is dit ook.  De mens mag de dieren een naam mag geven. Dat is echter onvoldoende om het verlangen naar een relatie te niet te doen. Hij is de rentmeester van de schepping maar hij blijft alleen. Opnieuw een luisteren en God doet iets dat vaker voorkomt in de Bijbel. Hij brengt de mens in slaap ten teken dat er iets belangrijks staat te gebeuren. Hij neemt een rib dicht bij het hart. In het antieke denken wordt het hart gezien als de bron van het leven en het verstand. Hij schept hieruit de vrouw. Pas dan is er sprake, krachtens de woorden van de man ‘vlees van mijn vlees’, van een levende relatie met de vrouw en van een echte vriendschap met God. Het vormen van een gemeenschap in eenheid krijgt invulling en het weerklinkt ook in de woorden van psalm 128 die wij samen gebeden hebben…

De Farizeeën die geloven in de verrijzenis en in engelen in tegenstelling tot de Sadduceeën, stellen Jezus een prikkelende vraag: ‘Mag een man een vrouw verstoten?’ Jezus reageert door het stellen van een wedervraag: ‘Wat zegt Mozes?’ De laatstgenoemde is dé leraar van het Joodse volk. De Farizeeën verwijzen in hun antwoord naar een scheidingsbrief. ‘Dat heeft alles te maken met de hardheid van het hart van mensen’, zegt Jezus. Wellicht mogen wij zeggen dat Jezus, de mensen van die tijd een gebrek aan geduldige, vergevende en volhardende liefde, verwijt. Ontucht en ontrouw komen in allerlei vormen en tijden helaas veelvuldig voor. Wat bedoelt Jezus eigenlijk te zeggen? Allereerst, verwijzend naar het boek Genesis, dat man en vrouw geroepen zijn tot het vormen van een echte, zuivere en blijvende gemeenschap in liefde. Maar ook dat deze eenheid alleen standvastig vrucht kan dragen door te luisteren naar elkaar, de wil tot trouw en in een blijvende verbondenheid met God. Echter de posters in de bushokjes die een slippertje legitimeren, de porno o.a. op het internet en het fenomeen van ‘second love’ vertellen ons dat er ten aanzien van het een en het ander iets goed mis is. De meesten van ons zijn met de woorden van Carlo, ‘op reis naar Jezus’. En dat vraagt volgens mij om een dagelijkse of op zijn minst zeer regelmatige voeding met zijn woord en zijn sacramenten. Het luisteren naar, het overwegen en het ontvangen van voeden ons. Ze zijn het begin van de ommekeer en vormen onze liefde voor Hem én voor elkaar om. We zijn echter in onze vaak op de buitenkant gerichte wereld juist hierin bijzonder kwetsbaar. Er is helaas regelmatig geen sprake van een echte liefde of alleen maar van een vluchtige variant. Daardoor verworden wij gemakkelijk als vanzelf van een origineel tot een fotokopie. Jezus wil dit voorkomen en wijst ons met het voorbeeld van de kleinen de weg. Een kinderlijke houding in het geloof in God en zijn zoon Jezus Christus en hun bedoelingen met ons, biedt de benodigde bescherming. Het is de uitweg uit dat wat ons door ‘de wereld’ lijkt te worden opgelegd als ‘gewoon’. Maar gewoon is het zeker niet!  Alleen met de genade van God, een onverschrokken moed en de wil tot een echt luisteren naar God en elkaar, kan de liefde in elke relatie overwinnen. En dan staan wij, als onze reis op aarde ten einde is, met een diepe glimlach op onze mond, samen sterk voor God…AMEN