Overwegingen van achter ons liggende zondagen.

Overweging van de 29e zondag 2020 A, 18 oktober, door pastoor J. Grubben

De mens zaait in de natuur, bewerkt en bemest de grond. God echter geeft  uiteindelijk de vruchtbaarheid zo leert ons niet alleen de Schrift maar ook een boerenwijsheid. Hij laat het van tijd tot tijd regenen en de zon schijnen. De bedoeling is om de gewassen te laten bloeien en rijpen om uiteindelijk geoogst te worden zodat zij tot voedsel worden. Zo ervaren wij dat ieder jaar weer in de afwisseling van de seizoenen. De prachtige kleuren van herfst vallen ons nu in een wandeling in de natuur, ondanks de herfststormen en de naderende ‘winterkou’, ten deel. En God blijft zichtbaar en onzichtbaar aan het werk voor wie het wil zien. Je kunt als het ware echter ook ‘geestelijk’ gaan wandelen met God. Je ontdekt dan wie Hij is, wat Hij doet en vooral ook hoe je Hem in zijn zoon Jezus kunt navolgen. Met een mooi woord noemen wij dat een spirituele zoektocht die veelal langs diverse religieuze landschappen leidt. Regelmatig levert een dergelijk wandelen een verdieping en of versterking van het geloof op door de deelname aan een Nieuwe Beweging in de Kerk. Maar het kan ook zo zijn dat mensen zich thuis gaan weten in een groep met eeuwenoude geestelijke wortels. In dit verband kwam ik in het afgelopen jaar verschillende mensen tegen die op avontuur gingen in hun geloof. Wonderlijk, verrassend en prachtige vergezichten waarvan ik deelgenoot mocht zijn. De toekomst wordt een nu omdat alles wat ademt voort gaat als een gebeuren van liefde. Dat past ook bij Wereldmissiedag. En evenzeer bij de mensen die zich geroepen weten door God en Hem en de medemens de eerste plaats geven in hun werkdadige leven. De heilige Geest is  hun kompas, gids of leidsman.

  • De profeet Jesaja (45, 1.4-6) spreekt over de roeping van koning Cyrus ten dienste van God en zijn volk Israël;
  • de apostel Paulus schrijft in zijn 1e brief aan Thessalonicenzen (1, 1-5b) over de dankbaarheid voor het werkdadige geloof van deze gemeenschap;
  • het Evangelie volgens Mattheüs (22, 15-22) gaat over de valstrik die de Farizeeën samen met de Herodianen spannen voor Jezus. Zij zijn niet dienstbaar aan God en zijn volk.

Bij de boodschapper van God, Jesaja, horen wij het begin van een gebeuren waarin naast God, Cyrus de vorst van de toenmalig bekende wereld, een rol speelt. De laatstgenoemde heeft deze positie echter aan de Heer te danken. Niet omwille van zijn eigen verdiensten maar met het oog op het welzijn van het volk Gods, Israël, is hij koning. Cyrus is in de 6e eeuw voor Christus heer maar niet dé Heer met een hoofdletter. Hij is een instrument in Gods handen en wordt omgord voor de strijd om het volk van God een weg te banen naar huis, het Beloofde land. Hij gaat ook als het ware op weg, met God op avontuur.

De Farizeeën smeden in het Evangelie een plan met de Herodianen, de aanhangers van koning Herodes Antipas, om Jezus ten val te brengen. Bij de arrestatie van Jezus op Witte donderdag is er sprake van een soortgelijke bundeling van krachten. Zij gaan niet met de zoon van God, Jezus, op avontuur. Zij hebben geen oog en oor voor wie Hij is, wat Hij doet en met welke bedoeling Hij op aarde is verschenen. In eerste instantie pappen ze met Hem aan maar dat hoort bij het leggen van de valstrik. Echter jammer voor hen, Jezus heeft het door. Is het gerechtvaardigd om belasting te betalen aan de keizer of niet, is hun vraag. Wat Jezus ook zal antwoorden, Hij is altijd de pineut. Immers niet betalen is verzet tegen het gezag van de Romeinen en strafbaar. Wel betalen betekent een verlies van aanzien bij het volk dat Hem adoreert. Maar ze rekenen buiten de waard. Jezus wijst hen allereerst op de wereldse verplichtingen zoals het belasting betalen aan de keizer. Maar ook spreekt Hij de Farizeeën en de Herodianen als gelovigen aan op hun verantwoordelijkheid en voorbeeld aangaande de plaats in hun leven van het geloof in God. Jezus duidt op een heldere wijze de positie van de keizer in de wereld aan die niet boven God gesteld mag worden. Er is immers maar één Heer! Eigentijds geformuleerd: ‘Ga niet met het geld op weg of op avontuur maar doe dat met God’. Daar hebben beide partijen niet van terug. Zij vallen als het ware stil. Jezus houdt hun een confronterende spiegel voor die hen bewust maakt van hun laakbaar gedrag.

Als Jezus ons hier en nu een soortgelijke spiegel zou voorhouden, vallen wij dan ook stil? De 1e brief van de apostel Paulus aan de Thessalonicenzen biedt hen en  ons echter een uitweg. De apostel prijst deze Griekse gemeenschap voor hun werkdadig geloof. Dit uit zich onder de leiding van Gods Geest in daden die getuigen van geloof, hoop en liefde, de drie grote deugden. Kort samengevat: hun leven begint bij God en wordt door Hem geleid en voltooid. In dit leven kan en mag het geld derhalve niet de hoofdrol spelen. En natuurlijk geld heeft een betekenis als een nuttig ruil of betaalmiddel. En is ook een bron van inkomsten voor het dagelijkse levensonderhoud van onszelf én dat van anderen. Echter onze toekomst met God en de naasten is nu. We zijn genodigd om op het ademen van de heilige Geest voort te gaan in ons leven. God blijft, welke keuze wij ook maken, in en met ons aan het werk met de uitdrukkelijke bedoeling om een rijke oogst binnen te halen. Hij ziet verlangend uit naar ons antwoord. AMEN

 

Overweging van de 28e zondag 11 oktober 2020 A, door pastoor Jacques Grubben

Op 10 oktober wordt de op vijftienjarige leeftijd in 2006 overleden Italiaanse jongen Carlo Acutis, zaligverklaard. Op zijn voorspraak is immers een wonder gebeurd. Hij was een gewone tiener van onze tijd. Hij had veel op met computers en bouwde, in zijn korte leven, een website waarop de eucharistische wonderen werden verzameld. De ontmoeting met Jezus die zich voor ons geeft in het bruiloftsmaal of de eucharistie, was voor hem alles. Hij ging in op de gastvrije uitnodiging van de Heer in het Evangelie omdat hij zich welkom wist. Daarbij achtte Carlo zich niet beter of hoger dan een ander. Nee, hij was dienstbaar net zoals Jezus die mens werd om ons de weg te wijzen naar het eeuwige gastmaal. In onze wereld gaat het er vaak anders aan toe. Het ‘ik’ staat voorop in plaats van de dienst aan God en de ander. De wereldwijde gevolgen hiervan in de onrechtvaardigheid, oneerlijkheid en slavernij zijn inmiddels niet meer te overzien. De lezingen van deze zondag houden ons een spiegel voor. Er is een verandering van hart nodig om te komen tot het bruiloftsmaal waarvoor wij allen genodigd zijn. Het voorbeeld van de jonge Carlo kan ons daarbij helpen – geen eerzucht maar eerlijk zijn – geen zelfverheffing maar dienstbaar zijn aan de ander – en geen concurrent maar familie zijn van elkaar. Dat is de werkelijke gastvrijheid die ons als kind van God past en gekleed doet gaan in geloof. Het is de benodigde vrijkaart die ons toegang geeft tot het feest.

  • De profeet Jesaja (25, 6-10a) biedt namens God een feest aan in de toekomst op de voorwaarde dat wij onze naaste liefhebben zoals onszelf;
  • de apostel Paulus schrijft aan de Filippenzen (4, 12-14, 19-20) over zijn dankbaarheid voor de vanuit het geloof ontvangen steun;
  • en in het Evangelie volgens Mattheüs (22, 1-14) houdt Jezus ons in een parabel van een bruiloft voor met willige en onwillige gasten.

De boodschapper van God, Jesaja, geeft een hoopvol visioen voor de tijd dat de Tempel, het huis van God, verwoest is. Op de berg van God, Sion, waarop de Tempel gebouwd is, zal in de toekomst een maaltijd plaatsvinden waarbij God de gastheer is. Er zullen vette spijzen en belegen wijnen worden geserveerd. Het zal een eeuwig samenzijn zijn met God. En er zal leven zijn voor allen die op God hun hoop hebben gesteld. Of met de woorden van psalm 23 ‘Het huis van de Heer zal mijn woning zijn voor alle komende tijden.’ Maar er zal ook een oordeel worden geveld over de onrechtvaardigen, de oneerlijke mensen en de uitbuiters. De deur naar redding staat desalniettemin, zoals vorige week al werd gemeld, nog steeds open voor iedereen…

De apostel Paulus borduurt daar als het ware in zijn woorden aan de christenen van Fillipi, op door. Hij die vertrouwd is met armoede en overvloed, is dankbaar voor de door de gemeenschap gegeven steun. Zijn blik is echter blijvend op God gericht. Hij verzoekt met zijn woorden de mensen van alle tijden om hetzelfde te doen. En om het perspectief van het ‘wij’ te verkiezen boven dat van het ‘ik’ want dat betekent het om de blik op God te richten. Het brengt de liefde voor de naaste zonder oneerlijkheid, onrechtvaardigheid en uitbuiting in praktijk.

In het Evangelie tenslotte houdt Jezus opnieuw de Hogepriester en de Oudsten van het volk en ook ons een parabel voor. Ditmaal lijkt het Rijk der hemelen op het bruiloftsfeest van een koning voor zijn zoon. Echter de genodigde gasten willen niet komen omdat zij zakelijk te druk bezig zijn. Zij zitten vast aan ‘de wereld’. Zij hebben vrij vertaald hun blik niet op God en daarmee op de naasten gericht. Het verzamelen en beheren van aardse schatten wordt van groter belang geacht. Hoe actueel is deze gelijkenis!

Een uitnodiging voor een feestmaal dat open staat voor allen want iedereen is welkom. De koning, God, is immers een gastvrije gastheer die de mensheid het beste wil geven. Ook aan al diegenen die met oneerlijkheid, onrechtvaardigheid en slavernij hun geld verdienen! God wil met de parabel hen als het ware losweken van het wereldse ‘ik’ om te komen tot het goddelijke ‘wij’. Daarvoor is immers Jezus mens geworden, heeft Hij geleden, is Hij gestorven en verrezen om te voorkomen dat er mensen onder het oordeel zouden vallen…

’God nodigt je uit. Je bent welkom om wie je bent, niet om wat je doet of gepresteerd hebt, maar omdat Hij van je houdt. Ja, al het goede krijg je van de Heer om niet. Toon je dankbaarheid door het steeds weer in te zetten voor de d’ ander!’. Woorden van een gedicht van broeder Hans-Peter Bartels ofm die de bekende spijker op zijn kop slaan. De jonge Carlo Acutis heeft de boodschap heel goed begrepen en de vrijkaart voor het bruiloftsfeest met beide handen aangepakt. Laten wij dat ook doen nu het nog kan… AMEN

Overweging van de 27e zondag 4 oktober 2020 A – door pastoor J. Grubben

Durven we het risico aan? Bij deze vraag denk ik terug aan het opzetten van een uitwisselingsproject in Letland dat wij, een goede priestervriend en ik, in 2010 zijn gestart. We kenden de taal niet, waren niet bekend met de Letse gewoonten en gebruiken en ook kenden wij niet veel mensen. Maar geloven is een waagstuk leert de Catechismus van de Kerk, dus hoezo doen we iets bijzonders. Dat hoort er toch gewoon bij want de Heer is God met ons. Hij nodigt uit, begeleid en zorgt. En toch, het hangt allemaal wel af van de visie hoe we het leven benaderen, als een lot of een zegen. Benaderen we het op een negatieve wijze, als lot derhalve, dan bestaat het gevaar dat wij ons na enige tijd terugtrekken op eigen terrein en afsluiten voor God. Doen wij dat niet en benaderen we het leven als een zegen, dan ontdekken we dat God daadwerkelijk voor ons zorgt. Hij is God met ons en wij mogen geëngageerd zijn met Hem en elkaar. De lezingen van de zondag geven tekst en uitleg.

  • Bij de profeet Jesaja (5, 1-7) wordt het volk Israël opnieuw een spiegel voorgehouden om terug te doen keren naar de God van het Verbond;
  • de brief van de apostel Paulus aan de Filippenzen (4, 6-9) bespreekt de kracht van het gebed tot in dankbaarheid;
  • en in het Evangelie volgens Mattheüs (21, 33-44) houdt Jezus ons een soortgelijke spiegel als aan het volk wordt voorgehouden bij Jesaja.

De boodschap van de profeet Jesaja begint enigszins poëtisch met het zingen van een lied voor een vriend die een wijngaard heeft. Deze heeft er alles aan gedaan om de wijngaard te bewerken en rijkelijk vrucht te laten dragen, echter zonder resultaat. Het lied gaat over de relatie tussen God en het volk van het Verbond, Israël. De vriend, God zelf, is begrijpelijkerwijs teleurgesteld in het beperkte of niet aanwezige engagement van het volk met God. Er is sprake van een leven in ongeloof in plaats van een oprecht en trouw geloof. De woorden van de profeet confronteren Israël en ook ons, met de harde realiteit. Het gedrag onder meer van de leiders en de rijken van het volk zint God niet omdat het in strijd is met de afspraken, met het Verbond. De relatie met God is derhalve verstoord. Desalniettemin laat Hij de toekomst open of met andere woorden ‘nieuwe ronden, nieuwe kansen’. Immers God is barmhartig…

Opnieuw een parabel over een landeigenaar met een wijngaard, in het Evangelie van de zondag. En opnieuw met de bedoeling voor de hoorders en lezers om vrucht te dragen in geloof door het op te wekken, te bevestigen en te versterken. De pachters in de parabel dragen zorg voor de wijngaard omdat de eigenaar naar het buitenland is vertrokken. Opnieuw is er echter ook de teleurstelling bij de laatstgenoemde omdat de pachters niet doen wat hen gevraagd is en wat zij beloofd hebben. Ze maken misbruik van de afwezigheid  en het vertrouwen van de landeigenaar en mishandelen of doden de dienaren en de erfgenaam, de zoon. Jezus, de zoon, vraagt aan de toehoorders dat zijn de vertegenwoordigers van het Joodse religieuze gezag, wat zij zouden doen in zo’n situatie. Maar dezen hebben niet in de gaten dat de gelijkenis over henzelf gaat. Immers de landeigenaar is dezelfde als de vriend bij de profeet Jesaja, God. En door hun antwoord roepen zij het oordeel over zichzelf af. Immers zij verwerpen door het onverantwoordelijke beheer van de wijngaard of het herderschap van het volk Israël, niet alleen God de Vader maar ook de zoon en de beloofde Messias, Jezus.

Er wordt wel eens gezegd dat deze parabel Jezus, de zoon of de erfgenaam, na zijn dood in de mond is gelegd. Of dat zo is, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat het de bedoeling is in beide gevallen, bij Jesaja en Mattheüs, dat het volk Gods rijkelijk vrucht draagt door gelovig op weg te zijn met God en met elkaar. Kortgezegd, door de liefde tot God en de naaste in het dagelijkse leven gestalte te geven. Niet het ik maar het wij van de gemeenschap met Hem en elkaar moet voorop staan. Om hierin te kunnen volharden is van het groot belang dat zij en wij als gelovigen allereerst een regelmatig en goed gebedsleven leiden, zo leert de apostel Paulus ons. God allereerst danken en dan om richting en eventueel tijdige bijsturing vragen. Dat zal ons niet alleen rust maar ook vrede in het hart geven in het vertrouwen dat God, tegen de achtergrond van ons engagement, er wel voor zal zorgen. Echter niet alleen het volhardende gebed is van belang. Ook het regelmatig luisteren naar en het overdenken van de woorden uit de Bijbel, de geschiedenis van God met ons mensen is met het oog op het dagelijkse leven van  groot belang. Dit maakt ons niet alleen bewust van het feit dat wij kinderen van God zijn maar laat ook zien dat en hoe God mensen de weg heeft gewezen in het verleden. En Hij doet dat nog steeds op verhulde of onverhulde wijze door zijn zoon Jezus Christus die onze Heer, broeder en vriend wil zijn. Durven of misschien beter gezegd, kunnen en willen wij mensen van deze tijd deze stap in de richting van God nog te maken? Het geloven blijft immers voor velen een waagstuk, een akte van vertrouwen, omdat we niet weten wat de dag van morgen ons brengt en hoe God daarin een rol speelt. Het is aan ons om vandaag een leven in eenvoud en heiligheid of heelheid te leiden. De Geest van God wil ons hierin inspireren. Hij wakkert het geloofsvuur keer op keer aan om een licht in de duisternis te zijn voor anderen… AMEN

Overweging 26e zondag 2020 A op 27 september – door pastoor Jacques Grubben.

We maken het allemaal wel eens mee, op vakantie of gewoon thuis, dat je eigenlijk geen zin hebt om ergens naar toe te gaan waar je ja tegen hebt gezegd. Maar als je het dan toch doet blijkt het uiteindelijk mee te vallen en is het best wel leuk en of gezellig. Zo is het ook met het doen van Gods wil. Het geloof uit zich zoals de apostel Jacobus ons in zijn brief voorhoudt, niet in woorden maar  in daden. Ja zeggen maar nee doen, creëert geen echte verbondenheid of relatie met God (en elkaar) zo houdt Jezus ons vandaag voor. Je bent dan niet echt een ‘nieuwe’ mens in de geest van het Evangelie. Je blijft hangen in het ‘oude’ mens zijn die wel Heer, Heer roept maar niet de daad bij het woord voegt. Het laatstgenoemde is zoiets als ongehoorzaamheid, terwijl het eerstgenoemde ‘Ik doe het toch’ in tweede instantie een positieve invulling geeft aan de roep van God. In de lezingen staan we hier wat langer bij stil.

  • In de profeet Ezechiël (18, 25-28) roept God het volk in ballingschap (en ook ons) op om terug te keren van dwaalwegen die van Hem afleiden;
  • de brief van de apostel Paulus aan de Filippenzen (2, 1-11) nodigt ons mensen uit in eenheid van liefde met elkaar te leven;
  • en het Evangelie volgens Mattheüs (21, 28-32) houdt ons voor om ons ja een ja te laten zijn.

De bewering van mensen ‘De weg van de Heer is niet recht’ is een boude uitspraak en een verkeerde inschatting, zo laat ons Ezechiël namens God weten. De profeet en priester is een balling in Babylon in de 6e eeuw voor Christus. Het is de tijd waarin ook de Tempel door koning Nebukadnessar wordt verwoest. Is de ballingschap van het volk Israël een ‘straf’ van God voor het voorvaderlijke gedrag, zo vragen zij zich af. Is derhalve de weg van God niet recht en worden zij onterecht ‘gestraft’? God zoekt met de woorden van de profeet de dialoog met zijn volk. Hij houdt hen het leven en sterven van de dwalende rechtvaardigde en de bekeerde boosdoener voor. Zijn bedoeling is om hen tot inzicht te brengen door naar binnen, in eigen hart te kijken. Hij wil ze laten ontdekken dat hun eigen wegen krom zijn waarop God probeert recht te schrijven. Hij houdt hen dit beeld voor om hen van hun ongeloof en ontrouw te bekeren, te redden. God wijst hen – en ook ons – op onze eigen verantwoordelijkheid. Kies niet voor de slachtofferrol, maar keer je om naar Mij toe. Derhalve ‘Gedenk uw barmhartigheid, Heer’ en ‘Geen woorden maar daden’, zoals het refrein van een bekend voetballied luidt.

Ook in het Evangelie zoekt God bij monde van zijn zoon Jezus, de dialoog met ons gelovigen. De reden hiervoor is de vraag van de Hogepriester en de Oudsten van het volk met welke bevoegdheid Hij handelt. Hij houdt hun het beeld van een vader met twee zonen voor die gevraagd worden om in zijn wijngaard te gaan werken. De eerste zegt ja maar doet het niet en tweede begint met een nee, bedenkt zich en doet het toch. Een vergelijkbare situatie zoals in de eerste lezing met de rechtvaardige en de boosdoener. God sluit derhalve niemand bij voorbaat uit en probeert recht te schrijven op onze kromme wegen. In beide gevallen houdt Hij de mensen een spiegel voor die ook van toepassing gemaakt kan worden op onze tijd. Jezus maakt het concreet door te verwijzen naar de oproep tot bekering door Johannes de Doper. Tollenaars en zondaars hebben net zoals de Hogepriester en de Oudsten van het volk naar hem geluisterd met dien verstande dat de eerstgenoemden de uitnodiging van God hebben verstaan en aangenomen. Ze hebben zogezegd de daad bij de woorden van de voorloper van Jezus gevoegd door zich (opnieuw) te verbinden met God. Het religieuze Joodse gezag van die tijd heeft de oproep, zoals ze dat ook doen met die van Jezus, naast zich neergelegd.

En wat doen wij? Staan wij nog in een goede en gezonde relatie tot Jezus en daarmee tot zijn Vader die Hem gezonden heeft om ons te redden? Voegen wij de daad bij de woorden van de geloofsbelijdenis die wij iedere zondag belijden? Of laten wij ons veelal leiden door partijzucht, links en rechts in de Kerk en de samenleving, en of ijdelheid? De gevraagde verantwoordelijkheid ten aanzien van ons geloof als een kostbare schat, nodigt ons uit in eenvoud en dienstbaar aan de medemens te leven. Door gehoor te geven aan de reddende woorden van Jezus, die zijn leven voor ons heeft gegeven. Door nieuwe mensen te zijn die de heelheid of heiligheid van leven nastreven. Een levensopdracht…die prachtig verwoord wordt in een gebed van Wim van der Zee.

Heer, maak ons tot mensen naar het beeld van uw zoon – met de ogen die niet alleen kijken, maar ook kunnen aanzien – met oren die niet alleen horen, maar ook kunnen luisteren – met een mond die niet alleen praat, maar ook kan aanspreken – met een verstand dat niet alleen begrijpt, maar ook kan verstaan – met een hart dat niet alleen klopt, maar ook bewogen kan zijn – met handen die niet alleen grijpen, maar zich ook kunnen openen – met voeten die niet alleen draven, maar ook tegemoet kunnen komen – want zo zijn wij gezegend en elkaar tot zegen.

AMEN

 

Overweging 25e zondag 2020 A op 20 september door pastoor Jacques Grubben

De folder van de Vredesweek wordt gesierd met de slogan ‘Vrede verbindt verschil’. Er wordt daarin gevraagd om, ondanks alle onderlinge verschillen, op creatieve wijze ons in te zetten voor een duurzame vrede. Door de verschillen op het gebied van religie en cultuur te verbinden met elkaar, zo wordt er gesteld, is er vrede mogelijk. Dat vraagt van ons echter wel zoiets als een ‘omdenken’. Enerzijds vanuit de kwetsbaarheid van mensen die zich hiervoor willen inzetten en anderzijds vanuit de onvoorwaardelijke liefde van God die vrucht wil dragen in mensen. In de lezingen wordt hiervoor op verhulde wijze  aandacht gevraagd.

  • De profeet Jesaja (55, 6-9) roept, namens God, op om van dwaalwegen terug te keren en opnieuw trouw te zijn aan het Verbond;
  • de brief van de apostel Paulus aan de Filippenzen (1, 20c-24.27a) nodigt mensen uit om een leven te leiden dat het Evangelie waardig is;
  • en in het Evangelie volgens Mattheüs (20, 1-16a) de parabel van de landeigenaar die de gehele dag loonarbeiders inhuurt voor zijn wijngaard, aan de orde.

Wie de profeet Jesaja, de profeet van het ‘geloof,’ al eens heeft bestudeerd weet dat het geheel, zoals algemeen wordt aangenomen, bestaat uit drie delen. De eigenlijke profeet Jesaja uit de 8e eeuw voor Christus spreekt in de hoofdstukken 1 tot en met 40 over de aanloop naar en de tijd van de ballingschap van Israël in Assyrië. De daaropvolgende hoofdstukken worden toegeschreven aan opvolgers van Jesaja. Zij zijn bekend onder de namen Deutero (41-55) en Trito (56-66) – Jesaja. De eerstgenoemde van wie we vandaag een stukje gelezen hebben, schrijft over de ballingschap van het Joodse volk in Babylonië en de nasleep daarvan in de 6e eeuw voor Christus. Het terugkerende Joodse volk, dat deels trouw is gebleven, wordt opgeroepen zich te bezinnen op hun geloof. De zinnen ‘Zoekt de Heer nu Hij zich laat vinden’ en ‘Roept Hem aan nu Hij nabij is’ verwoorden deze oproep. Een bezinning waarop? Een terugkeer van de dwaalwegen zoals ongerechtigheid en het aanbidden van de afgod Marduk, die door velen zijn bewandeld in Babylonië. God wil, en Hij maakt daarbij geen enkel onderscheid, met de gelovigen en ongelovigen opnieuw beginnen. Vrede brengen, dat is de opzet. Zijn naam is Liefde met een hoofdletter die de verschillen in de trouw aan het Verbond overbrugt. Deze barmhartige houding van God is, gezien het gebeurde, eigenlijk niet te begrijpen. Het is de ratio achter de godsspraak ‘Zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten.’

In het Evangelie hoorden wij opnieuw een gelijkenis uit de zogenaamde parabelrede, een van de grote vijf, van de Evangelist Mattheüs. Hij spreekt over een landeigenaar die door de dag heen loonarbeiders, die goedkoper zijn dan de slaven, werft voor zijn wijngaard. Dat is toch geen planning zijn wij dan wellicht geneigd om te zeggen. Het had toch ook in een keer gekund. Ja, dat klopt maar om het nog ingewikkelder te maken geeft hij, ondanks dat de landeigenaar op zijn centjes let, uiteindelijk aan het einde van de dag eenieder dezelfde beloning. Dat roept begrijpelijkerwijs aan de ene kant zoiets als verwondering en dankbaarheid op bij de werkers van het laatste uur. Bij de mannen die de hitte van de dag verdragen hebben, stuit deze handelwijze echter op onbegrip en onvrede. Het handelen gaat in beide gevallen de arbeiders boven de welbekende pet. De reactie van de landeigenaar die niemand minder dan God zelf is, sluit opnieuw aan bij de godsspraak ‘Mijn wegen en gedachten gaan uw wegen en gedachten te boven.’ De landeigenaar kiest voor het principe ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, zo lijkt het. Hij scheert iedereen over een kam en maakt geen verschil. Het ‘werk doen’ is het criterium. Onder zijn handelen ligt een diepere en geestelijke laag waarvoor Jezus de aandacht vraagt. Eenieder die een leven (trouw) leidt dat het Evangelie waardig is, dat gelijk staat aan het werken in de wijngaard,  wordt hiervoor door de Vader gelijkelijk beloond. De uiteindelijke beloning is het eeuwig leven. En het maakt niet uit of je een werker van het eerste of het laatste uur bent. Er wordt immers geen verband gelegd tussen de inzet en de beloning. Derhalve geen economische maar een gelovige ratio die opnieuw om een ‘omdenken’ vraagt door over het verschil heen te stappen.

Tijdens mijn vakantie en missietijd in Letland hoorde ik regelmatig over een Canadese priester die nadrukkelijk spreekt over de spoedige terugkomst van Christus. En er zal ook een teken aan de hemel verschijnen. Of we dit al dan niet moeten geloven, dat weet ik niet. Wat ik echter wel weet is dat we sinds de menswording van Jezus leven in de zogenaamde eindtijd. Eenieder die zich nu zoals ik als laat gewijd priester inzet voor het volk van God of de wereldwijde Kerk, is een werker van het laatste uur. Wij verhopen echter dezelfde beloning als de werkers van het eerste uur. God wil hierdoor verzoening brengen tussen Hem en de mensen en de mensen onderling en vrede brengen in de harten van de mensen. Daarbij staat niet allereerst de beloning centraal maar het geloof in de Verlosser, Jezus, door wie wij deze beloning ontvangen. Hij heeft nog altijd werkers nodig om dit voor elkaar te krijgen. U en ik worden uitgenodigd om ons voor deze goede zaak in te (blijven) zetten. Laten we met de woorden van Maria, ja zeggen tegen deze oproep en meewerken aan de vrede. Maria, koningin van de Vrede, bidt voor ons…AMEN

 

Overweging 24e zondag 2020 A, op 13 september – door pastoor Jacques Grubben
‘Vergeven om te helen’ is het thema van het Evangelie van deze zondag. Mijn gedachten gaan allereerst uit naar enkele ervaringen tijdens vakantie en missie in Letland. Het is daar de gewoonte om voor de heilige Mis of anders kort daarna, te gaan biechten om op een zuivere manier de Heer te ontvangen. Maar ook denk ik aan woorden die ik hoorde tijdens een lunch. Het waren de woorden van een lied met als refrein ’Kom terug, want je bent zo ver van Mij verwijderd geraakt …’ En tenslotte de prachtige woorden die ik hoorde bij mijn eigen biecht. Barmhartigheid geldt voor de dag van gisteren, voorzienigheid voor de dag van morgen en leven in eenvoud en heiligheid voor vandaag. Dit alles als een voorafje op het hoofdgerecht, de lezingen van de 24e zondag. Maar vergeven is niet eenvoudig, kost tijd en moeite en gaat vaak met kleine stapjes.
• Het boek Jezus Sirach (27, 30; 28, 1-7) adviseert ten zeerste om niet in wrok en gramschap te volharden;
• in de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen (14, 7-9) horen wij de woorden van een uitvaartlied. We behoren krachtens ons geloof allereerst aan God toe;
• en het Evangelie volgens Mattheüs (18, 21-35) handelt tenslotte over de vraag hoe vaak we worden geacht om elkaar te vergeven.
Het boek Jezus Sirach uit de 2e eeuw voor Christus is ons vooral bekend in de Griekse overlevering. Inmiddels is er een Hebreeuwse basistekst teruggevonden. De actuele passage van vandaag heeft als thema ‘niet volharden in gramschap en wrok’ want daarmee snijd je jezelf in de vingers. Gramschap en wrok passen ook als zodanig niet in het Oude Verbond tussen God en het volk Israël. Het gaat in tegen het gebod van het niet doden, in welke zin dan ook. Tevens veroordeelt het de dader, de persoon in kwestie. Toch is helaas zoiets als eerwraak, als een uitdrukking van wrok en gramschap in o.a. (Zuid)oost Europa en het Midden-Oosten, nog steeds actueel. Er zijn twee opties volgens de auteur. Zelf wraak nemen betekent dat God je te zijner tijd rekenschap zal vragen van je zonden. Maar als je zelf vergeeft aan een ander dan zal diezelfde God, als je Hem er om bidt, je vergeving schenken en de zonden doen verwaaien als zand in de woestijn. Dat werkt helend en genezend terwijl de eerstgenoemde houding je letterlijk en figuurlijk op een dood spoor leidt.
De apostel Paulus schrijft aan de christenen van Rome dat zij en wij krachtens het sacrament van het Doopsel en ons geloof in Christus, aan God toebehoren. Deze brief is waarschijnlijk geschreven na zijn tijd in Korinthe met als doel om via Jeruzalem naar Rome te reizen. De woorden “Niemand sterft, niemand leeft voor zichzelf alleen…’ zingen wij vaak bij een uitvaart. Immers voor de overledene is dan de tijd aangebroken voor de ontmoeting met Christus en daarmee het persoonlijk oordeel over zijn of haar daden, zo leert de Catechismus.
Tenslotte het Evangelie waarin Petrus, als eerste onder de gelijken namens de het apostelcollege, Jezus de vraag stelt hoe vaak de naaste te vergeven. Deze passage is een deel van de zogenaamde Kerk-rede omdat het betrekking heeft op wat de Kerk de gelovigen voorhoudt om de liefde tot God en de naaste invulling te geven. De passage plaatst Jezus in de rol als leraar. Petrus denkt ruimhartig te zijn door het getal zeven, dat het getal van de goddelijke volmaaktheid is, te noemen. Maar dat valt tegen want Jezus spreekt over zeventig keer zevenmaal. Vrij vertaald betekent dat, altijd. Ter verduidelijking geeft Hij een parabel als voorbeeld. Er doen zich hierin twee of beter gezegd drie gesprekken voor. In het eerste gesprek tussen een heer en zijn dienaar die hem 10.000 talenten schuldig is, bidt de tweede hem om geduld en clementie. De schuld wordt hem kwijtgescholden echter de betreffende dienaar heeft er niets van geleerd. Bij een ontmoeting met een andere dienaar, die de eerstgenoemde dienaar slechts 100 denariën verschuldigd is, is hij niet barmhartig maar straffend. Dat komt de heer natuurlijk ter ore die hem alsnog veroordeelt. Door zijn niet vergevende of kwijtscheldende gedrag heeft hij zichzelf in de vingers gesneden. De parabel is een waarschuwing voor de mensen van toen en nu, van het oude en nieuwe Israël. Wij behoren net zoals het Joodse volk, als christenen, immers door ons geloof aan God toe.
De woorden van het eerdergenoemde lied ‘Kom terug…’ ondersteunen de helende boodschap van de gelijkenis van Jezus. De bekende woorden van Franciscus van Assisi doen dat ook. Zij sluiten tevens aan bij de bede van onze Paus voor de vluchtelingen en migranten voor wie wij op deze zondag bidden.
Heer, maak mij een instrument van Uw vrede. Laat mij liefde brengen waar haat heerst, laat mij vergeven wie mij beledigde en laat mij verzoenen wie in onmin leven. Laat mij hoop brengen aan wie wanhoopt, laat mij licht brengen aan wie in duisternis is en laat mij vreugde brengen aan wie bedroefd zijn. Want het is toch door te geven, dat men ontvangt; door te verliezen, dat men vindt; door te vergeven, dat men vergiffenis aanvaardt; en door te sterven, dat men verrijst tot het eeuwig leven.
AMEN

Overweging 17e zondag 2020 A van 26 juli door pastoor Jacques Grubben

Er bestaat een IQ, dat de verstandelijke intelligentie uitdrukt maar ook een EQ dat een indruk geeft van de emotionele intelligentie van een mens. Het een sluit het ander niet uit maar zeker ook niet bij voorbaat in. En als het IQ hoog is wil dat dan zeggen dat je wijs bent? Nee, dat is niet per definitie het geval. Toch wordt wijsheid volgens menselijke begrippen nogal eens gelijkgesteld aan het IQ. Persoonlijk ben ik van mening dat een hoog IQ niet per definitie wijsheid insluit. Wijsheid is volgens de dikke van Dale: ‘Het wijs zijn’ waarbij het inzicht wordt gepaard aan het verstand. Het begrip inzicht wordt omschreven als een mening hebben over, een kijk hebben op en het besef of bewustzijn hebben van. Kortom: een inzicht hebben is veelal breder en voegt toe aan hetgeen verstandelijk wordt begrepen. Er bestaat daarnaast ook de goddelijke wijsheid. Is dat niet een gave van of beter gezegd niet de Heilige Geest zelf? Zij handelt vanuit een vergezicht om vanuit het concrete en naar Gods bedoelingen te komen tot een vreedzame samenleving en een betere wereld in de toekomst. En de mens zet de gaven die hij of zij van God ontvangen heeft in voor deze harmonie en deze vrede tussen de medemensen en met God. De menselijke wijsheid is uiteindelijk goed vergelijkbaar, zo vermoed ik, met zoiets als een ambacht dat met de hulp van God in de lessen van het leven geleidelijk aan gestalte krijgt. We zeggen ook wel eens dat een vreedzame maatschappij en een betere wereld beginnen bij de mens krachtens de slogan ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf.’ Tegen deze achtergrond mogen wij proberen om een antwoord te geven op de vraag die God lang geleden aan koning Salomo stelde ‘Wat wil je dat Ik je geef?’  De lezingen van vandaag komen uit:

  • het 1e boek Koningen (3, 5-7.12) en gaat over de droom van koning Salomo en de door God gestelde vraag ‘Wat wilt u dat Ik u geef?’;
  • de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen (8, 28-30) spreekt over het geluk dat God voor iedere geroepene voor ogen heeft;
  • en in het Evangelie volgens Mattheüs (13, 24-43) spreekt Jezus in beeldtaal over het Rijk der hemelen.

In het 1e boek Koningen maken wij kennis met Salomo, de zoon van koning David. Een persoon met als het ware twee gezichten. In het eerste en grootste deel van zijn regeerperiode van pakweg 40 jaar is hij trouw in het geloof aan God, rechtschapen en is hij oprecht van hart. In de laatste jaren komt hij door zijn vele vrouwen, met alle gevolgen van dien voor het latere koninkrijk, tot een geloofsafval in de God van Israël. Aan het begin van zijn koningschap krijgt hij een droom waarin God hem de vraag stelt ‘Wat wil je dat Ik je geef?’ Een droom is volgens mijn bescheiden mening veelal iets van het onderbewuste en heeft te maken met een al dan niet (on)bewust verlangen. Salomo maakt in zijn droom een snel rekensommetje en realiseert zich dat hij een groot koninkrijk en volk geërfd heeft en dat hij nog een jongeman is. ‘Wat heb ik nodig om dit alles tot een goed einde brengen?’ lijkt hij zich vervolgens in ‘menselijke’ wijsheid af te vragen. Hij bidt om een opmerkzame geest, dat hij goed recht mag leren spreken en een duidelijk onderscheid mag leren maken tussen goed en kwaad. Een antwoord op Gods vraag dat eigenlijk neer komt op een verzoek om een ‘luisterend hart’ dat nadrukkelijk in verbinding staat met zijn verstand. Denk  daarbij maar eens het voorbeeld van zijn verbluffende rechtspraak over de twee vrouwen in het dispuut over het uit een van de twee geboren kind. Het ‘niet-aardse’ antwoord bevalt God zeer goed. Hij geeft hem in zijn goddelijke wijsheid het gevraagde in overvloed. Gezien het verloop van zijn verdere leven tot het moment van zijn geloofsafval, brengt deze keus hem geluk en zegen. En dat is bemoedigend voor de mensen van onze tijd om een soortgelijke keuze te maken.  De apostel Paulus bevestigt dit met zoveel woorden. Handel vanuit je geloof, lijkt hij te zeggen. En je zult in voor en tegenspoed overeind blijven om uiteindelijk het eeuwig leven te erven. Vrij vertaald betekent dit: Ga met God en handel in liefde naar Hem en de medemens toe. Het zal vruchtbaar zijn voor jou en voor de samenleving. Dat alles lijkt met een beetje goede wil aan te sluiten bij de kreet ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf’.

In het Evangelie vergelijkt Jezus het geloof met alledaagse voorbeelden, een verborgen schat in de akker en een mooie parel op de markt. Beide zijn ‘te koop’ en moeten ons alles waard zijn, zegt Hij. Immers Hij adviseert ons alles achter te laten om ze koste wat het kost in het bezit te krijgen. En Hij probeert hierdoor ons menselijk inzicht op te tillen naar het niveau van zijn goddelijke wijsheid. Het handelen in deze (G) geest vraagt om een samenwerking tussen een luisterend hart en nadenkend verstand. En is dat ook niet de ratio achter de volgende passages in de Schrift: ‘Het geloof is een schat in aarden potten’ en ‘Verzamelt u schatten in de hemel in plaats van op aarde’!? Het zijn immers deze uitnodigingen in het hier en nu en met het oog op onze toekomst om volgens Gods bedoelingen wijs te leren handelen. En deze uitnodigingen staan nog steeds. Een nieuwe wereld vanuit Gods perspectief die het nastreven waard is, die ons tijdelijk en eeuwig geluk en dat van anderen zal bevorderen.

‘God van tijd en eeuwigheid, ook U vraagt aan ons: Wat wil je dat Ik je geef? Mag dan ons antwoord zijn: Geef ons een opmerkzaam hart en een opmerkzame geest om U te vinden opdat wijzelf rechte wegen gaan en kiezen voor het goede tegen het kwade. Geef ons wijsheid en begrip opdat wij het zijn die u Rijk van vrede waar maken hier en nu, vandaag.’ …AMEN

 

Overweging 16e zondag 2020 A van 19 juli door pastoor Jacques Grubben

Reageren op iets dat je overkomt kan op twee of misschien wel op drie manieren plaatsvinden. Allereerst is er de reactie ‘met de botte bijl’ die we kunnen plaatsen tegenover het reageren ‘met zachtheid’. En er is ook nog de tussenvorm van het ‘schipperen’, de ene keer zus en de andere keer zo. We nemen vandaag alleen de eerste twee in ogenschouw. De eerste vorm van reageren krijgt bijvoorbeeld gestalte in het botweg en zonder begrip opleggen van regels die gehandhaafd moeten worden. Volgens sommigen maakt het kabinet zich daaraan schuldig als het gaat om de Coronaregels. Het volk wordt bot beroofd van haar vrijheid, een vorm van knechting, aldus deze groep. Ook het schreeuwen, vloeken en dreigen als een vorm van intimidatie kunnen wij als een voorbeeld van de ‘botte bijl’ – methode zien. Wij komen deze variant helaas tegen in onder meer relaties en gezinnen. Echter ook wereldleiders die te keer gaan op de sociale media maken zich hieraan schuldig. Tegenover dit alles staat het reageren met de ‘zachte hand’ maar dan niet met de bedoeling om ‘stinkende wonden’ te maken. Het hebben van geduld, een handelen vanuit het ‘wij’ in plaats van het ‘ik’ en de liefde vormen de leidraad van deze aanpak. Jezus, de mens geworden zoon van God is hét voorbeeld van deze methode. Denk maar eens aan zijn reactie op het aanstaande verraad van Judas tijdens het Laatste Avondmaal. En aan zijn antwoord op het verzoek van de apostelen Jacobus en Johannes om de beste plaatsen, links en rechts van Hem in de hemel, te bemachtigen. Of wat te denken van zijn geduldig en liefdevol gedragen lijden op het kruis dat wij bezingen in het lied ‘Lam Gods zo onschuldig…’ Jezus reageert en bestuurt met ‘zachtheid’. Hij houdt van ons met zachtheid. En dan mogen wij, als zijn leerlingen, werken met zachtheid schrijft broeder Hans-Peter Bartels ofm heel passend in een gedicht. Wat vertellen de lezingen?

  • het boek Wijsheid (12, 13, 16-19) spreekt over de almachtige God die rechtvaardig en met ‘zachtheid’ regeert over de schepping met de bedoeling wij mensen deze levensles ter harte nemen;
  • de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen (8, 26-27) handelt over de noodzakelijke hulp van de Heilige Geest om het leven naar Gods bedoeling in te richten;
  • het Evangelie volgens Mattheüs (13, 24-43) is een vervolg op dat van vorige week. Het verhaalt over het tegelijkertijd opschieten van de tarwe en het onkruid.

Allereerst het boek Wijsheid of de Wijsheid van Salomo, de zoon van David. Het is een Deutero-canoniek boek dat wil zeggen dat het niet tot de Joodse canon, het Oude Testament, behoort. Het is geschreven in jaren 30-50 na Christus met het oog op de jonge Joden die in de diaspora, buiten Israël, leefden. Zij werden in het dagelijks leven geconfronteerd met de Griekse cultuur. In het boek wordt hen een spiegel voorgehouden. God is rechtvaardig maar evenzeer barmhartig als Hij de mensen met ‘zachte hand’ uitnodigt tot bekering. God heeft zorg voor alles en iedereen maar vraagt ook rekenschap aan de mens over zijn of haar gedrag. God is liefde maar is bij ongeloof en hoogmoed ook rechtvaardig. Met goedertierenheid probeert Hij het gedrag van mensen, o.a. de jonge Joden, bij te sturen of te corrigeren. Als je de berichten leest over het gedrag van vakantievierende jongeren in Knokke en Portugal, krijg je het gevoel dat deze levenslessen ook voor hen bedoeld zijn…

God kent de menselijke zwakheden en daarom heeft Hij, aldus de apostel Paulus in zijn brief aan de Joden-christenen van Rome, een helper, gids of een ‘kompas’ gestuurd die wij de Heilige Geest noemen. We zijn als gelovigen uitgenodigd om met Hem samen te werken om onze levensweg, met vallen en opstaan, tot een goed einde te brengen. Door middel van ‘zachte’ influisteringen of raadgevingen probeert Hij om met ons bijvoorbeeld onze verslavingen te overwinnen. Te denken valt aan het veelvuldig gamen of appen of het workaholic zijn. De enige bedoeling die God hiermee heeft is om ons met ‘zachte’ hand een heel en gelukkig mens te laten worden naar lichaam en geest. En om een vitale gemeenschap met Hem en de medemensen op te bouwen.

Tot slot de parabel van de tarwe en het onkruid. Het goede zaad, de tarwe, wordt overdag gezaaid maar in het ‘donker’ komt het onkruid op. Dat is niet alleen een natuurlijk maar ook een geestelijk beeld dat Jezus ons voorhoudt. De achtergrond van deze gelijkenis moge duidelijk. Er kan op twee wijzen gereageerd worden: met de ‘botte bijl’ of met de ‘zachte hand’. Wat is wijsheid? Jezus geeft zelf het antwoord. Door ter plekke met ongeduld en boosheid vernietigend te reageren, zo lijkt Hij te zeggen, krijgt de ‘boosdoener’, het onkruid, niet de gelegenheid zich om te keren naar God. En in zijn val trekt hij mogelijk ook de goede mens mee. Ook de mogelijk eerdere of latere goede vruchten komen niet tot zijn recht. Nee, God is een Vader die met liefde blijft aankloppen aan de deur van het hart door middel van de Heilige Geest. Zijn bedoeling is om zoveel mogelijk mensen tot geloof en geluk te brengen. En de vergeving is hét liefdesteken van God dat leven brengt en in leven houdt ten opzichte van methode van de botte bijl die de dood tot gevolg heeft

God regeert en bestuurt met zachtheid en Hij houdt van ons met zachte hand zodat wij werken met zachtheid door zijn voorbeeld te volgen…AMEN