Overweging, 19 september, 25e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

In de afgelopen weken las ik een Deense verhalenbundel met als titel ‘Dagen als gras’. Een van verhalen trok, vanwege de twist van de apostelen in het evangelie over wie dan wel de grootste is, mijn aandacht. Een echtpaar heeft voortdurend ruzie maar kan niet zonder elkaar. En ze vechten om de aandacht van hun 15-jarige zoon Francesco. Deze vlucht op een dag weg en de geplande vakantie gaat niet door Op dat moment is de vluchtelingencrisis pakkend nieuws in Italië. De zoon werpt zich op als de verdediger van het recht op een menswaardig leven. Hij leeft letterlijk met de vluchtelingen in de natuur van Rome. Tussen de bedrijven door ontstaat er ook een innige vriendschap tussen Francesco en de iets oudere vluchteling Ahmed. Hun gezamenlijk ideaal krijgt de steun van een socioloog met de bijnaam ‘de professor’. Als blijkt dat de moeder van Ahmed in een Afrikaans land op sterven ligt, de ouders ruziën in de tussentijd gewoon door, geven de wetenschapper en Francesco’s vader hem de kans om afscheid te nemen. Zij betalen het ticket. Al snel wordt Francesco ook nog met de dood bedreigd door een racistische groepering. Hij moet uiteindelijk verder leven onder een nieuwe naam. Jezus’ woorden ‘Wie een kind opneemt in mijn naam’ krijgt, tussen de schuivende panelen van de actuele problemen in de wereld, wel een heel bijzondere betekenis.

Laten we tegen de achtergrond hiervan, luisteren naar de lezingen…

  • het boek Wijsheid (2, 12.17-20) gaat over de beproeving van de vrome gelovige;
  • de apostel Jacobus spreekt in zijn brief (3, 16-4,3) over de nadelige gevolgen van jaloezie en eerzucht;
  • in het Evangelie volgens Marcus (9, 30-37) spreekt Jezus over wie de grootste is in het koninkrijk van God.

De auteur van het boek Wijsheid richt zich tot de Joden in de diaspora. Hij behandelt de tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de ongelovigen en legt daarmee het verschil tussen de Joodse geloof en de Griekse filosofie – en levenswijze op tafel. De lezing begint met het plan van de ongelovigen om de vrome te belagen. Zijn gedrag ergert hun omdat daardoor hun lauwheid van geloof, die zich uit in een ongehoorzaamheid aan de Joodse Wet en een onethisch leven, zichtbaar wordt. Zij maken een plan om hem te kwellen, ja zelfs om hem te vermoorden met als doel om te achterhalen of God hem te hulp zal komen en of de vrome verdraagzaam zal blijven jegens hen. In dit alles ligt allereerst een verwijzing besloten naar het lijden dat Jezus eeuwen later overkomt. Er kan echter ook een verbinding worden gemaakt met de bedreiging van Francesco in het beschreven verhaal. Waar de laatstgenoemde in veiligheid wordt gebracht om met een nieuwe identiteit een ander leven te leiden, zal Jezus zijn leven voor ons geven. Echter in beide gevallen is er sprake van een grove onrechtvaardigheid jegens een mens als kind van God en de Zoon van God. En toch mogen we hoopvol zijn of met de woorden van de psalmist zeggen: ‘Toch is het God die mij helpt.’

De onderlinge jaloezie en eerzucht uit de brief van de apostel Jacobus speelt de ouders van Francesco, parten. Het hedonisme, de hartstochten en de begeerten, de ruzies en de strijd, die de apostel beschrijft kunnen we een op een van toepassing maken op onze tijd. Er wordt niets te veel gezegd als we stellen dat dit alles te maken heeft met een gebrek of tekort aan een goede relatie met God. Jacobus plaatst hier de wijsheid van boven tegenover. Deze uit zich in het hebben van zuivere bedoelingen met elkaar, in een leven in vrede, in het steeds voor rede vatbaar zijn en in de voortdurende bereidheid tot vergeving. Het zijn deze elementen die horen bij een menselijk leven als kinderen van God. Jacobus reikt ze aan als een spiegel voor de mensen van zijn en onze tijd die geconfronteerd worden met of deelnemen aan het genoemde gedrag. Het zijn echter ook de schuivende panelen waarbinnen het verhaal van Francesco en zijn ouders zich afspeelt. En toch mogen we als kinderen van God ook beseffen dat ‘…het de Heer is die mijn leven bewaart.’

Na de wonderbare broodvermenigvuldiging, de catechese van Jezus aan het volk en zijn identificatie door de apostel Petrus, gaat Hij met zijn vrienden verder met hun vorming. Opnieuw komt zijn overlevering in de handen van het Joodse religieuze gezag, het lijden, de dood alsmede zijn verrijzenis op de derde dag op tafel. Het genoemde gezag kunnen we goed vergelijken met de ongelovigen die de vrome bedreigen. Hun handelen jegens Hem en de echte gelovigen is onrechtvaardig. Jezus aannemen en volgen als de beloofde Redder van God maakt ons daarentegen tot kinderen van God. Onderweg is het de apostelen echter nog niet duidelijk wat Jezus bedoelt te zeggen. De apostelen stoeien met de louter menselijke strijdvraag ‘Wie is de grootste?’ Zij stellen Hem, bevreesd voor zijn antwoord, geen vragen. Jezus voelt dit goed aan en geeft hen in Kafarnaüm opnieuw catechese. De grootste zijn is voor Hem en in het geloof niet gebaseerd op macht of invloed maar op het dienstbaar zijn aan God en de medemens. Voor de apostelen en voor velen is dit door de eeuwen heen ‘de wereld op zijn kop’. En het is ook de weg die Francesco ons in het genoemde verhaal laat zien. Hij kent immers Ahmed in eerste instantie niet maar ziet al snel zijn onrechtvaardige of mensonwaardige situatie in. Hij neemt hem op als een ‘kind’ en vraagt via de sociale media gedurfd aandacht voor de problematiek van de vluchtelingen. Dit alles sluit aan bij de prachtige woorden uit het bekende vredesgebed van Franciscus van Assisi: Heer, help mij niet zozeer om zelf gelukkig te zijn als om anderen gelukkig te maken; niet zozeer om zelf begrepen te worden als om anderen te begrijpen; niet zozeer om zelf getroost te worden als om anderen te troosten; niet zozeer om bemind te worden als om te beminnen’ Laten we deze woorden van ‘boven’ met het hart van Jezus en Francesco tot de onze maken in het leven van alledagAMEN

Wilt u de Overweging van de achter ons liggende zondagen nog eens doorlezen, kijk dan op de Homepage, klik op de knop ‘Over ons’ en klik dan op Overwegingen.