Preek voor de 22ste zondag door het jaar 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 22ste zondag door het jaar 2021                                                                     Herwi Rikhof

Jak. 1, 17-18.21b-22.27 / Mc. 7, 1-8. 14-15. 21-23

 

Inleiding
We zijn weer terug bij Marcus en het is meteen raak: we vallen in een discussie met Farizeeën, in een scheldkanonnade. Het is geen leuk stukje. Het is ook gebruikt om de joodse godsdienstigheid weg te doen. Maar wij weten nu dat dat niet terecht is. Wij weten dat je niet zo over de Farizeeën mag praten als enkel huichelaars, dat Farizeeën in de grond genomen mensen waren die hun geloof serieus namen, zoals wij proberen ons geloof serieus te nemen. Wij weten nu ook dat je zeker zo’n tekst niet mag gebruiken tegen Joden en hun geloof afdoen als uiterlijk en hypocriet. Op het mozaïek  in de loggia zijn de kaarsen van de zevenarmige kandelaar gedoofd, hier achter mij  branden ze omdat wij weten dat wij in ons geloof nog steeds gevoed worden door het Oude Testament en nog steeds kunnen leren van mensen die die teksten leven.

Ik wil straks niet stil blijven staan bij het evangelie maar bij de lezing uit de brief van Jacobus, niet zozeer vanwege zijn oproep aan ons iets te doen met Gods woord en er niet alleen maar naar luisteren, maar vanwege wat hij haast tussen neus en lippen zegt over God, de Vader van de hemellichten:  die hemellichten verduisteren, God niet.

 

Preek
Twee keer ben ik er geweest bij de tentoonstelling over de Pest in het Valkhof-museum. Dat is het voordeel van zo’n tentoonstelling op fietsafstand. Twee keer, omdat ik met name het gedeelte over geloof nog eens wilde zien. In een zaal waren vooral beelden en schilderijen te zien van heiligen die als beschermers tegen de pest aangeroepen werden, Rochus, maar vooral Sebastiaan. Op de muur stond als een soort motto een tekst uit de Decamerone, de collectie vertellingen die Boccaccio schreef tegen de achtergrond van de periode van de zwarte dood in Florence (1348): “deze ziekte had zich … als een rechtvaardige straf van God over de mensen … verspreid zonder voor wie of wat dan ook halt te houden.” Een echo van dat citaat heeft geklonken aan het begin van de corona-pandemie en klinkt in sommige kringen nog steeds. Dan wordt verwezen naar het Oude Testament waarin teksten te vinden zijn waarin God dreigt met straf voor het volk dat zijn Wet niet onderhoudt, of er wordt verwezen naar Job die met Gods toestemming door de duivel op de proef wordt gesteld – Job was ook duidelijk aanwezig in die tentoonstelling, als beeld en als prachtige illustratie in handgeschreven bijbels.

Die verwijzing naar God is in welke omstandigheid dan ook voor welke gelovige dan ook relevant. Wij gelovigen geloven niet in de klokkenmaker-god, die aan het begin de werkelijkheid geschapen en in werking gezet heeft en het dan maar laat lopen. Wij geloven in God de Schepper van hemel en aarde die voortdurend schept, die onze werkelijkheid in stand houdt, die op ieder van ons betrokken is. Maar nog relevanter is hoe die verwijzing wordt ingekleed, hoe die betrokkenheid van God gezien wordt.

In dat citaat op de wand van het museum wordt dit verband, deze betrokkenheid dus gezien in termen van straf. Maar in dat citaat zit iets vreemds. Hoe kun je nu praten over een straf, zeker over een rechtvaardige straf, als je tegelijkertijd zegt dat die voor niets of niemand halt houdt? Kan iemand die niets of niemand ontziet rechtvaardig genoemd worden? Is die niet juist onrechtvaardig? Houdt een straf – en zeker een rechtvaardige straf – niet in dat er rekening gehouden wordt met verschillen, met gradaties, met verantwoordelijkheden. Iemand die iets steelt, straffen we toch niet op dezelfde manier als iemand die bom gooit. We kennen niet voor niets het onderscheid tussen moord en doodslag, tussen iets dat met opzet en voorbedacht rade wordt gedaan en iets dat per ongeluk en onopzettelijk plaats vindt. Als we vinden dat iemand te zwaar of te licht gestraft wordt, dan is in ons rechtssysteem een beroep mogelijk, omdat we dat oordeel onrechtvaardig vinden. En dit soort overwegingen gelden dan niet meer als het over Gods rechtvaardigheid gaat? Hoe kan een rechtvaardige God zo onrechtvaardig, zo niets en niemand ontziend, zo willekeurig straffen?

Er zijn mensen die precies vanwege deze onrechtvaardigheid, niets ontziendheid, deze willekeur hun geloof in God opgegeven hebben of het bestaan van God ontkennen. Maar je kunt ook een andere kant op gaan en weigeren allerlei zaken als straf van God te zien. Ik zeg dat niet zomaar, maar omdat in dat citaat uit de Decamerone iets is weggelaten. Boccaccio geeft namelijk een alternatief voor het ontstaan van de pest: de invloed van hemellichamen. Onder invloed van de hemellichamen is de pest in het Oosten ontstaan en heeft zich op een allertreurigste wijze tot het Westen uitgebreid, schrijft hij. Dat is een alternatief, dat blijkbaar zo’n 6 eeuwen geleden ook genoemd werd. Een alternatief dat oude wortels heeft en dat, gezien de aandacht voor sterrenbeelden in sommige bladen, nog steeds populair blijkt te zijn.

Ik noem dat alternatief van Boccaccio niet alleen omdat hij dus een alternatief aangeeft, maar ook dit alternatief, een alternatief dat om zo te zeggen natuurlijk is en waaraan wij mensen dan ook natuurlijk onderworpen zijn, zoals wij ook natuurlijk te maken hebben met ouder worden of met het ritme van dag en nacht, van eb en vloed, van de jaargetijden. Natuurlijke processen en ritmes waar we geen invloed op uit kunnen oefenen. Het natuurlijke alternatief dat Boccaccio aangeeft staat in scherp contrast met het handelen van God dat niet ‘natuurlijk’ is, niet automatisch, maar een bewuste keuze inhoudt. Door dat contrast wordt dat bewuste, gekozen handelen van God alleen maar problematischer, willekeuriger.

Het is dit contrast dat Jacobus in zijn brief maakt, maar wel met een subtiele, fundamenteel andere consequentie. Jacobus schrijft dat er bij God ‘geen verandering of verduistering door omwenteling’ is. Die formulering ‘verduistering door omwenteling’ roept het ritme van dag en nacht op en als Jacobus het daar bij gelaten had, had hij het contrast tussen de hemellichamen enerzijds en Gods handelen anderzijds aangegeven, zoals Boccaccio: automatisch tegen over bewust gekozen. Maar door er aan toe te voegen ‘geen verandering’ ontkent hij niet alleen die natuurlijke, die automatische processen in God, maar zegt hij ook dat bij God niet die mentale verandering te vinden is die er wel bij ons mensen te vinden is: ‘ja’, en dan weer ‘nee’ en dan weer ‘ja’ of ‘misschien’. Wíj veranderen van gedachten, opinies, smaak, loyaliteiten, wij draaien, God niet.

Het idee van een pandemie als een handeling van God, van een niets en niemand ontziende straf als een bewuste keuze van God: dat gaat loodrecht in tegen wat wij van God geloven en van wat we hier elke keer vieren: dat God voor ons gekozen heeft en blijft kiezen. Of zoals ik dat straks bij de consecratie zal zeggen: een nieuw en altijddurend verbond.

De brief van Jacobus heeft niet de zwaarte van de brieven van Paulus of de diepgang van de brieven van Johannes, maar dat haast terloopse zinnetje, ‘bij God is geen verandering of verduistering door omwenteling’, is wel een van de schatten van onze traditie die we moeten koesteren, een van die pareltjes waarvan we kunnen genieten.

Meer nieuws

Overweging 11-12 september 2021 Cenakelkerk     

Overweging 11-12 september 2021              […]

Indrukwekkend Geloofsgesprek met de ernstig zieke Mgr. Harrie Smeets

Klik op bijgaande link: https://www.npostart.nl/geloofsgesprek/12-09-2021/KN_1726397

Overweging, 12 september, 24e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

Een voorbeeld zijn voor een ander is niet altijd even […]

Gezocht: poetsengelen

De gezellige poetsploeg van de H. Antonius Abtkerk in Malden zoekt […]

Zondag 12 september TV-mis,vanaf 10.00 uur op NPO 2, vanuit Lourdes vanwege 100 jaar bedevaarten

De KRO zendt op zondag 12 september de wekelijkse televisiemis […]