Preek voor de 28ste zondag door het jaar 13 oktober 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 28ste zondag door het jaar                                                     Herwi Rikhof

Wijsheid 7,7-11 / Mc. 10,17-30

 

Inleiding
Het valt mij telkens weer op hoe verschillend je de verhalen van en over Jezus kunt lezen. Dat ligt aan die verhalen. Die zijn nooit eenvoudig, maar altijd verrassend en gelaagd. Maar dat ligt ook aan mij, aan ons. Want hoe je leest, hoe je hoort, hoe je kijkt hangt ook altijd samen met wat je meegemaakt hebt en meemaakt. Het evangelie van vandaag kun je lezen als een verhaal over rijkdom en dan kunnen in dat verhaal de discussies meespelen over de enorm hoge energieprijzen waardoor weer een tweedeling in onze maatschappij dreigt. Je kunt blijven hangen bij het slot van het evangelie en je gedachten maken over misbruik dat van dat slot van is gemaakt: mensen arm houden, met de belofte van de hemel. Ik lees het vandaag een beetje anders, ik lees het evangelie als een verhaal over het eeuwig leven en als een verhaal over hoe je in geloof goede vragen moet stellen.

 

Preek
Over mijn computer kijk ik de tuin in en ik zie ik de wingerd rechts rood gekleurd, zie ik dat de bladeren al afvallen, ik zie de fluweelboom aan de andere kant geel gekleurd en ik zie ook nog een paar rozen in een laatste bloei. Op het net dat ik over de vijver heb gespannen liggen al bladeren. Misschien komt het door het weer, afgelopen week een paar keer harde regen en vandaag de zon, mist in de morgen en misschien al nachtvorst, misschien komt het door dat weer dat zo duidelijk de wisseling van seizoenen laat zien, dat het evangelie van vandaag voor mij een verhaal is over leven en dood, over eeuwig leven.

Misschien komt het door de herfst, maar misschien nog meer door ziekte en aftakeling, die ik in mijn omgeving meemaak, – weer iemand met kanker, weer iemand met Alzheimer, weer iemand met Parkinson -, dat ik ben blijven haken bij de vraag van die man: ‘wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?’ Want die vragen komen op als de zomer voorbij lijkt te zijn, terwijl je het gevoel hebt dat de zomer toch te kort is geweest. Die vragen komen op wanneer je weet dat er nog zoveel had moeten, had kunnen gebeuren in het leven van die of die. Die vragen komen op wanneer je zaken waarvoor je je hebt ingezet, ziet verdwijnen – wat zijn de gevolgen van corona voor de kerk, hier en breder? Die vragen komen op wanneer mensen onverschillig blijken over wat jou ter harte gaat. Die vragen komen ook op wanneer alles zo zijn gangetje gaat en je in een flits je afvraagt: ‘is dit nu alles?’ Eeuwig leven, het verlangen naar een voortduren omdat het allemaal zo kort is, een verlangen naar blijven, omdat het allemaal zo vluchtig voelt.

‘Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?’ vraagt de man in het evangelie. Hij zal er ook wel meegezeten hebben, die man. Hij heeft alles en heeft ook alles gedaan wat hij moest doen en nu, wat nu? ‘Is dat nu alles’ zal hij zich misschien afgevraagd hebben. En daarom de vraag aan Jezus. Hij doet dat heel beleefd, hij weet hoe het hoort. Aardige, sympathieke, herkenbare man.

De reactie van Jezus is wat vreemd, als je er over nadenkt, onaardig ook, onbeschoft haast. Alsof hij die man inschat als iemand met luxeproblemen, zoals er mensen zijn die naar de dokter gaan voor de interessantigheid, met een pijn die ze niet hebben. ‘Waarom noem je mij goed?’ en dan geeft Jezus als antwoord maar het rijtje van de geboden, als een soort standaard antwoord op een vraag die toch niet echt is, een soort dropwater-antwoord.

Maar de man houdt aan, want voor hem, voor mij, voor ons, is het een echte vraag: die vraag naar het eeuwige leven. En dan verandert Jezus’ houding: hij kijkt die man goed aan en begint hem sympathiek te vinden. Hij lijkt ineens de echtheid en ook de urgentie van de vraag te herkennen. Maar, hij herkent ook nog iets anders, hij herkent ook iets in de manier waarop die man zijn vraag stelt: wat moet ik doen, en, wat moet ik doen om deel te krijgen, om te verwerven. Die man vraagt naar het eeuwig leven, zoals hij blijkbaar gewend is naar van alles en nog wat. Hij vraagt economisch: hoe krijg ik dat in mijn bezit? Hoe wordt dat van mij? Hoe kan ik erover beschikken?

Dát herkent Jezus, en daarom zegt hij: ‘ga verkopen wat je hebt en volg mij’. Ik denk dat Jezus daarmee wil zeggen: als je echt het eeuwig leven verlangt, dan moet je niet denken dat dat eeuwig leven nog iets extra is, iets dat na al die dingen komt die je gedaan hebt, een soort toetje, omdat je alles braaf opgegeten hebt. Als je echt het eeuwig leven wil, dan moet je anders vragen, anders in het leven staan, dan moet je je houding van hebben en verwerven vergeten, dan moet je zelfs je houding van hebben en verwerven wegdoen. Want het eeuwig leven is geen kwestie van hebben, het is een kwestie van liefhebben. En tussen hebben en liefhebben zit een wereld van verschil.

En nu moet u niet denken: o daar heb je het weer: lief zijn voor elkaar en zo. Nee, nu gaat het om iets anders, iets diepers: het eeuwig leven, het leven met de eeuwige of zoals Jezus het ook heel eerbiedig formuleert ‘het koninkrijk rijk van God’ is op de eerste plaats niet een kwestie van ons, van wij die liefhebben, maar of wij ons willen laten liefhebben, of wij zo’n mentaliteit hebben, dat wij God toelaten en dan niet straks, aan het eind van ons leven, na ons leven, maar nu al. Als je echt het eeuwig leven wil, dan moet je open, dan moet je ontvankelijk in het leven durven staan.

Ik denk dat Jezus zoiets zegt, omdat het past bij andere uitspraken, misschien wel het meeste bij het bidden dat hij ons leert. Het Onze Vader is een groot vraaggebed en eeuwig leven is met de vragen van dat gebed leven. Eeuwig leven is met die vragen leven en zo God toelaten in ons ons leven. Eeuwig leven is de kwaliteit van leven die nu al aanwezig is, aanwezig kan zijn.

In de afgelopen week heb ik bij de dominicanessen het feest gevierd van Maria van de Rozenkrans. Voor de dominicanessen en dominicanen in Nederland een belangrijk feest want dat is hun patroonsfeest. Op die dag waren er geen speciale lezingen, maar lazen we gewoon de lezingen van de dag, het evangelie waarin in Jezus nadat hij zijn leerlingen het Onze Vader heeft geleerd hen aanspoort om te blijven zoeken en vragen. Als wij onze kinderen niet iets slechts willen geven, hoeveel te meer zal onze Vader in de hemel ons dan niet de Geest geven als we erom vragen, zegt hij.

Die lezing kreeg op dat feest voor mij een bijzondere dimensie, vanwege het gebed dat bij de rozenkrans hoort: het Wees gegroet, of preciezer vanwege wat in dat gebed waarin we Maria vragen voor ons te bidden verzwegen wordt. Het begint met de groet van de engel Gabriel, het vervolgt met de groet van haar nicht Elisabeth, maar wat daar tussenin gebeurt wordt verzwegen: het ja-woord van Maria op de belofte dat de heilige Geest in haar zal werken. Maria heeft die belofte gehoord en heeft God laten liefhebben. Het is goed dat wij haar vragen voor ons te bidden.