Preek voor de 7de zondag van Pasen 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 7de zondag van Pasen 2021                                                                          Herwi Rikhof

1 Joh. 4,11-16 / Joh. 17,11b-19

 

Inleiding
Deze zevende zondag van Pasen is altijd een aparte zondag: de zondag tussen twee feesten: Hemelvaart en Pinksteren. Een wat lege zondag als ik dat zo mag zeggen: de verrezen Heer is er niet meer en de beloofde Helper is er nog niet. En op deze lege zondag horen we Jezus bidden. We horen op deze zevende zondag elk jaar een ander gedeelte uit wat wel het Hogepriesterlijke Gebed wordt genoemd. Niet het gemakkelijkste gedeelte uit het toch al niet makkelijke evangelie van Johannes. Daarom wil ik weer een keer twee keer preken: nu wat langer inleiden en proberen dichter bij de tekst te komen en straks wat korter en dan wat Jezus zegt verbinden met ons hier en nu.

Jezus bidt. We horen wel vaker in de evangelies dat Jezus bidt, dat hij zich terugtrekt om te bidden, alleen, in stilte. We hebben een paar fragmenten waarin we hem kort horen bidden, bijvoorbeeld in de Hof van Olijven, we hebben natuurlijk het Onze Vader waarin hij zijn leerlingen, ons, leert te bidden en dan hebben we het lange Hogepriesterlijke Gebed waarmee Jezus het Laatste Avondmaal eindigt. In zekere zin eindigt Jezus in het evangelie van Johannes zoals bij begonnen is: met het schoonmaken van de tempel omdat het huis van gebed tot een markthal verworden was. Gebed als een soort boog.

Als ik dat hogepriesterlijke gebed niet alleen maar aandachtig probeer te lezen, maar ook probeer te bidden, als ik dus met Jezus meebid, dan merk ik wat ik altijd ook bij het Onze Vader merk: dat bidden op de eerste plaats vragen is. Ik weet dat in onze traditie de tendens bestaat wat neerbuigend en denigrerend te praten over het smeek- of vraaggebed. De lofprijzing is een veel hoger gebed wordt dan gezegd. Ik vind deze tendens niet overeenkomen met de liturgie: als wij straks het Gloria, de grote lofprijzing bidden, vragen we daarin ook tot drie keer toe: ontferm u over ons, aanvaard ons gebed, ontferm u over ons. Ik vind die tendens ook niet echt bijbels. Als Jezus bijvoorbeeld in de Bergrede over bidden praat, geeft hij het onze Vader dat alleen maar uit vragen bestaat, en zegt ook de Vader in hemel het goede zal geven aan mensen die er om vragen. En in het evangelie van Lucas zegt Jezus zelfs dat als de mensen om de heilige Geest vragen de hemelse Vader die zal geven. Dat vragen is nooit onbescheiden genoeg.

Jezus bidt en vraagt. Hij vraagt voor zichzelf, maar al snel gaat dat over in vragen voor anderen, voor de mensen die aan hem werden toevertrouwd, die de Vader hem heeft gegeven, voor wie hij zich verantwoordelijk voelt. Dat is het gedeelte dat we straks gaan horen. Wat vraagt Jezus dan? Dat de Vader hen beschermt, hen bewaart, zoals hij dat gedaan heeft. In dat gebed valt een paar keer de term ‘wereld’ en het is goed daar even bij stil te blijven staan, omdat in dat gebed die term ‘wereld’ een heel eigen betekenis heeft, een betekenis die anders is dan die wij gewoonlijk gebruiken en dat kan makkelijk tot misverstanden leiden.

Wanneer Jezus is dat gebed praat over wereld praat hij niet over de natuur, over wat we in deze periode voor onze ogen zien gebeuren, maar doelt hij op onze cultuur. Wanneer Jezus spreekt over wereld bedoelt hij niet de aardbol, te midden van zon en maan en zoveel andere planeten, maar dan verwijst hij naar het ingewikkelde, het verwarrende, het pijnlijk, het brekelijke van ons menselijk bestaan, dan gebruikt hij ‘wereld’ om aan te geven hoe oppervlakkig mensen kunnen leven, alsof het enkel gaat over je natje en je droogje, dan gebruikt hij ‘wereld’ om het smerige en duistere van ons bestaan aan te geven, de fouten die gemaakt zijn, het onrecht dat gedaan wordt, de pijn die we elkaar aandoen, de oorlogen, de spelletjes van machthebbers, de leugens die als waarheid verkocht worden. Wanneer Jezus over de wereld spreekt, spreekt hij over onze samenleving, niet alleen in het groot maar ook in het klein. ‘Wereld’ slaat dan zelfs op de kerk, want door schade en schande merken we dat onze kerk niet vrij is van fouten, merken we dat ook in onze geloofsgemeenschappen mensen elkaar pijn doen, elkaar dwars zitten en de sfeer grondig verpesten.

Tegen deze achtergrond krijgt Jezus’ gebed een onthutsende actualiteit.

 

Preek
Wat vraagt Jezus dus? Bescherming. Dat is duidelijk. ‘Bewaar in uw Naam hen die gij mij gegeven hebt’. Maar wat voor bescherming? Een complete lockdown? Nee. Daarin is Jezus duidelijk. Een lockdown hoe compleet of soepel die ook is, is een noodmaatregel, een maatregel die dan ook tijdelijk is. Natuurlijk kun je kiezen voor een permanente lockdown, maar dan krijg je een soort samenleving die we in Myamar weer zien ontstaan. Dat is niet ideaal en ook niet realistisch, omdat er meer gedaan moet worden dan een lockdown om een virus als corona te bestrijden. Isolatie mag dan wel tijdelijk noodzakelijk zijn: voor een echte bestrijding is vaccinnatie nodig en zijn testen nodig.

Jezus zegt nadrukkelijk dat hij niet de Vader vraagt zijn leerlingen te isoleren, ons totaal af te schermen. ‘Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt’. Jezus bidt dus niet onrealistisch, maar juist heel realistisch. De leerlingen, wij, kunnen niet anders dan in de wereld zijn. Te denken dat je hoe dan ook die wereld kunt buiten sluiten, is jezelf voor de gek houden. We kunnen niet anders dan in de wereld zijn: dat is wat menselijk leven inhoudt.

Maar wat vraagt Jezus dan wel? Zoals wel vaker in ons geloof gaat het om kleine woordjes. Vandaag om ‘in’ enerzijds en om ‘van’ anderzijds. Wel ‘in’ de wereld, maar niet ‘van’ de wereld. Die tegenstelling geeft in alle kortheid de spanning aan die hoort bij het leven van elke christen. Dat is volgens mij de bescherming waar Jezus om bidt: dat de Vader zijn leerlingen, ons, in die spanning houdt, ons niet weghaalt uit onze realiteit maar ons er niet laat opgaan, ons beschermt voor het kwaad daarin. ‘Ik bidt niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad.’ Een echo van een van de beden van het Onze Vader: ‘verlos ons van het kwade.’

Wat dat kwaad concreet is, is soms duidelijk, maar niet altijd, vaak niet. Daarom is die bede ook belangrijk, is dat gebed van Jezus voor ons essentieel. Dat bewaren, dat verlossen heeft dan niet zozeer te maken met dat kwaad verwijderen – dat zou een veel te gemakkelijk gebed zijn -, maar dat bewaren, dat verlossen heeft eerder te maken met het bewust worden van wat in onze situatie kwaad is en dat niet toe te dekken, maar luid en duidelijk te benoemen, zodat we in de wereld niet van de wereld worden en wij elkaar zo helpen in onze omstandigheden christen te zijn en te blijven.

Meer nieuws

Overweging, 13 juni, 11e zondag B 2021 door pastoor Jacques Grubben.

Op het internet kwam ik bij toeval de Franse film […]

Vieringen Cenakelkerk in juni

Zaterdag 5 juni 17.00 uur Eucharistieviering muzikaal ondersteund door Frans […]

Meer zitplaatsen tijdens vieringen vanaf het weekend van 12 en 13 juni 2021

Het voorkomen van een corona-brandhaard in onze kerken blijft steeds […]