Preek voor de vijfde zondag van Pasen 2021 Cenakelkerk                                                                          

Preek voor de vijfde zondag van Pasen 2021                                                                            Herwi Rikhof

 1 Joh. 3,18-24 Joh. 15,1-8

 

Het zijn niet alleen korte Latijnse oneliners die soms in één keer bij mij opkomen. Ook gewone Nederlandse. Die komen soms wel dicht bij tegeltjeswijsheden, oost west, een gegeven paard, een goede buur, maar toch. Ze komen op omdat er een aanleiding is om die wijsheden, die inzichten in herinnering te roepen, om die wijsheden en inzichten te gebruiken, of om ze te toetsen en te ontdekken dat er een kern van waarheid in zit. Maar ook Latijnse oneliners. Als ik merk dat ik toch wat meer moet bewegen: mens sana in corpore sano een gezonde geest in een gezond lichaam. Of non scholae sed vitae, niet voor de school maar voor het leven leren wij, als ik de discussies volg rond de scholen in de coronacrisis en dan onwillekeurig terug denk aan mijn eigen scholing die misschien daarom gelukkig nooit afgelopen is.

Bij mijn theologiestudie heb ik ook een paar van die Latijnse oneliners geleerd: gratia gratis datur, genade krijg je zomaar, lex orandi lex credendi, je gelooft zoals je bidt en je bidt zoals je gelooft. Oneliners die tot nu toe doorwerken in mijn werk, in wat ik schrijf, maar ook hier in de parochie, in mijn preken. U herkent ze misschien.

Er is nog een andere Latijnse oneliner, wat technischer, wat meer vaktheologisch, die vaak in mij opkomt wanneer ik de Schrift lees, zeker vandaag: theologia symbolica non est argumentativa, wat vrij vertaald: in de theologie moet je niet met beelden argumenteren. Dat geldt trouwens niet alleen voor de theologie: er is een lange filosofische traditie die teruggaat op de Griekse filosoof Aristoteles die vindt dat beelden thuishoren in gedichten, niet in betogen. Een goede redenaar, een goede politicus, zegt helder en duidelijk waar het op staat en gebruikt niet allerlei versluierd taalgebruik. Die strenge visie blijkt in de praktijk vaak de lat te hoog te leggen, te streng te zijn. Als je de debatten in de Tweede Kamer volgt, hoor je hoe vaak beelden gebruikt worden, hoe vaak beeldend taalgebruik langskomt. Soms versluierend, ‘sensbiliseren’ bijvoorbeeld: dat moest een van de sprekers zelfs opzoeken in het woordenboek zei ze. ‘Kaltstellen’, ‘doofpot’, ‘achterkamertjes’: allemaal termen die gebruikt werden en die niets aan duidelijkheid overlieten. En precies dat maakt duidelijk dat die strenge eis van geen beelden te gebruiken, té streng is, omdat beelden meer zijn dan al dan stemming makende versieringen. Beelden kunnen ook op een heel eigen manier inzicht geven en je aan het denken zetten. Maar dan moet je wel aandacht hebben voor die eigen manier en open staan voor de misschien onverwachte en onvermoede associaties en niet te snel denken : oh ik weet het wel.

Neem nu het beeld in het evangelie van vandaag: het beeld van de wijnstok en de wijngaardenier, van de ranken en de vruchten. Een  beeld dat niet alleen in de streken van het Heilig Land van toen, maar ook in onze gemeente nu herkenbaar is. En zelfs als je geen wijngaard hebt, maar een gewone tuin of een balkon, dan herken je dat beeld en begrijp je iets van dat afsnijden en zuiveren. Ook als je je tuinafval niet verbrandt, maar in de groene afvalbak doet en aan de straat zet, dan begrijp je toch wel wat Jezus zegt. Maar is dat zo, is dat voldoende? Ik denk van niet.

Waarom kiest Jezus dat beeld van de wijnstok en van de wijngaardenier? Had hij ook het beeld van een fruitboom kunnen kiezen? Zo’n boom die nu in bloei staat. Misschien, maar ik vermoed van niet. Dat beeld van de wijngaard, de wijnstokken is namelijk niet zomaar een beeld, of een beeld dat Jezus oppikt wanneer hij om zich heen kijkt, zoals dat waarschijnlijk wel het geval is, wanneer hij die parabel vertelt over het zaad dat op verschillende gronden terecht komt: dat ziet hi daar bi jet eer van Galilea gebeuren. Het beeld van de wijngaard en de wijnstok is een beeld dat ook de profeten gebruiken. Bij de profeet Jesaja, bijvoorbeeld, staat een lied over de wijngaard dat we ook hier in de zondagse liturgie wel eens tegenkomen en dat zo mooi begint: “Ik wil zingen van mijn vriend, het lied van mijn vriend en zijn wijngaard. Mijn vriend had een wijngaard op een vruchtbare helling.” (Jes 5,1)

Als je die teksten van de profeten leest, zie je dat ze altijd dat beeld gebruiken om aan te geven dat het niet goed gaat met het volk van God. “De wijngaard van de HEER van de machten is Israëls huis, zijn bevoorrechte planten zijn de mensen van Juda. Hij hoopte op recht maar Hij zag onrecht, Hij zag geen betrachting van recht, maar verkrachting van recht.” (Jes 5, 7) Dat is het einde van dat lied van Jesaja.

Maar Jezus geeft een andere betekenis aan dat beeld. Hij ontkent niet dat het mis kan gaan; hij praat immers ook over geen vruchten, hij praat ook over afsnijden en zuiveren, maar dat is niet het enige en ook niet het belangrijkste. Het belangrijkste is het goede, de vruchten die wel groeien. Maar om dat belangrijkste te begrijpen moeten we ook letten op een ander verschil. Bij Jesaja is het volk van God die wijnstok, die wijngaard. En je zou denken dat dàt ook het geval is in wat Jezus zegt tot zijn leerlingen en dus ook tot ons. Dat die wijnstok, die wijngaard dus naar de kerk verwijst. Maar zo gebruikt Jezus dat beeld niet. Hij is de wijnstok, wij zijn de ranken. Een subtiel, maar wel wezenlijk verschil. Het gaat in de eerste plaats niet om ons, maar om hem.

Dat betekent dat wat telt als vruchten, als goede vruchten door hem bepaald wordt. Zijn doen en laten, wat hij zegt: dat is bepalend. Niet wat iemand die in de kerk leiding geeft, op welk niveau dan ook, beslist is bepalend. Misschien kan ik hier nog een verdere stap zetten in proberen te ontdekken wat Jezus met dat beeld bedoelt.

Opnieuw de vraag: waarom kiest Jezus dat beeld van de wijnstok en van de wijngaardenier? Had hij ook het beeld van een fruitboom kunnen kiezen? Zo’n boom die nu in bloei staat. Misschien, maar ik vermoed van niet. Jezus gebruikt dit beeld in zijn afscheidsrede bij het Laatste Avondmaal, aan het eind. Maar in het begin van het evangelie staan twee opmerkelijke optredens van Jezus die duidelijk maken hoe hij de omgang met God ziet, wat die vruchten voorstellen en wat niet, hoe hij dat beeld van de wijnstok verstaat. In Jerusalem veegt hij de tempel schoon, omdat het huis van gebed een markthal geworden is, omdat mensen blijkbaar denken dat je God kunt kopen of zelfs moet kopen, zo in de trant van ‘voor wat hoort wat’, ‘ik geef u dit, nu moet u wel..’. Daarvoor begint hij zijn optreden op een bruiloft, waarbij hij het water dat bedoeld is om de reinigingsvoorschriften te vervullen, verandert in wijn. Ook een correctie op denken over God, alsof de omgang van God alleen met waterige regels te maken heeft, alsof de omgang van God niet de kleur en de geur van wijn heeft, alsof dat niet iets van een feest heeft of zou moeten hebben.

Wij waren met een groep studenten in de abdij van Oosterhout en de oude monnik Pieter van de Meer de Walcheren kwam vragen wie we waren. Ik kende hem uit zijn boeken. Hij zei toen een oneliner die ik me ook vaak herinner. Geloof is een goede Bourgogne waar je je leven lang een beetje dronken van bent, de meest mensen maken er lauwe cola van.

Meer nieuws

Pinksteren 2021. Mgr. de Korte: Enthousiast ons Geloof leven – Op weg naar het feest van de Geest

Afgelopen donderdag hebben wij weer de Hemelvaart van de Heer […]

Overweging, 16 mei, 7e zondag Pasen 2021 B door pastoor Jacques Grubben.

Enige jaren geleden vertelde een priestervriend mij over een beeld […]

Preek  Hemelvaart des Heren 2021 Cenakelkerk

Preek  Hemelvaart des Heren 2021            […]

Overweging, 13 mei, Hemelvaart 2021 B door pastoor Jacques Grubben.

Geborgen zijn, daar gaat toch ieders verlangen naar uit! Bij […]

Kerk Malden zoekt “poets-engelen”

De gezellige poetsploeg van de H. Antonius Abtkerk in Malden zoekt […]