Preek voor kerstavond 2020   Cenakelkerk  

Preek voor kerstavond 2020                                                                     Herwi Rikhof

Jes. 9,1-3.5-6 / Lc. 2,1-14

 

Het schuurt meer dan in de vorige jaren, Kerstmis zoals we dat hier in onze kerk vieren en het kerstfeest zoals dat in onze maatschappij zijn gaan vieren. De laatste jaren is dat contrast er keer op keer geweest en dat geldt niet alleen voor Kerstmis, maar ook voor Pasen en Pinksteren. Deze week stonden de laatste cijfers in de krant: 20% rooms katholiek, 15 % protestant. Die 35 % is heel wat minder dan de 80% in 1960.

De laatste jaren heb ik meer en meer ontdekt dat het verhaal dat we altijd op kerstavond hier in de kerk lezen geen gezellig en knus verhaal is over een geboorte, hoe mooi en leuk de kinderen in de afgelopen jaren dat verhaal ook gespeeld en gezongen hebben. In dat spel gaat het om Maria en Jozef die aan komen in Bethlehem, geen plaats, om de herders en de wijzen, een soort levende kerststal hier voor het altaar. Ik ben altijd weer verbaas hoeveel kinderen graag een schaap spelen of de os en de ezel. Het is jammer dat we dat spel dit jaar niet kunnen meemaken. Maar de laatste jaren heb ik meer en meer ontdekt hoe belangrijk het contrast binnen dat verhaal is dat de kinderen spelen en dat we hier op kerstavond horen, belangrijker dan het contrast tussen hier in de kerk en daarbuiten in de stad. Ik bedoel het contrast tussen het bevel van keizer Augustus waar het verhaal mee begint en de glorie van God die de engelen bezingen en die de herders zien. De evangelist Lucas geeft dat contrast subtiel aan met een woordspeling in het Grieks die moeilijke te vertalen is, het dogma (bevel) van Augustus en de doksa (glorie) van God. Maar achter dat minieme verschil in klank– dogma- doksa – ligt een wereld van verschil. Die twee op elkaar lijkende en klinkende  woorden verwijzen naar werelden die niet op elkaar lijken, maar zelfs elkaars tegendeel zijn. De wereld van keizer Augustus is de wereld van de zogenaamde pax romana, de romeinse vrede die tot stand komt door verdeel en heers, de romeinse vrede die in stand blijft door onderdrukking en bezetting, de romeinse vrede die de vrede is van wraak en controle. De wereld van God is de vrede die hoort bij welwillende mensen, de vrede van God is de vrede die hoort bij zijn koninkrijk waar de uitgeslotenen uitgenodigd worden aan de maaltijd, de vrede van God is de vrede die de verrezen Heer op Paasavond zijn weggelopen leerlingen toewenst.

Maar dit jaar schuurt het meer of beter gezegd schuurt het anders en dat komt door de lockdown en de coronacrisis. Wij hebben in onze parochie die lockdown serieus genomen en onze eerdere plannen voor vieringen met een dertigtal mensen drastisch veranderd: geen mensen in de kerk, alleen een paar zangers, een lector, een misdienaar en de mensen die voor de uitzending zorgen, Ard en Bart. Zo’n beslissing doet pijn, maar wij vonden dat wij als parochie dat contrast met de maatschappij, met al die sectoren die moeten sluiten, niet groter moesten maken dan nodig is en dat wíj het onbegrip dat te lezen valt in ingezonden brieven en columns niet moesten voeden.

Maar er is een diepere laag waarop het schuurt en dat is niet zozeer vanwege de huidige lockdown van de laatste paar weken, maar vanwege die brede coronacrisis, voor wat die maandenlange crisis heeft duidelijk gemaakt over onze maatschappij, over de waarden en normen die we bewust en vaak onbewust hanteren. We hebben door schade en schande ontdekt dat idealen die in onze maatschappij opgeld deden, toch niet zo ideaal zijn. Neem bijvoorbeeld het ideaal van zelfredzaamheid.

Dat is op het eerste gezicht een aansprekend en aanlokkelijk ideaal omdat het aansluit bij een diep menselijk gevoel van zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Volwassen worden is zelfstandig worden, onafhankelijk zijn en wie wil nu onvolwassen en kinderlijk door het leven gaan?

Maar op het tweede gezicht is dat ideaal ook een bekoring of een beproeving, omdat aan dat ideaal van zelfredzaamheid in onze maatschappij zeker de laatste jaren vormen van individualisme, egoïsme en onverschilligheid zijn gekoppeld. ‘Ik red mezelf wel’, ‘ze zoeken het maar uit’. Precies dat verstaan van zelfredzaamheid is door de corona-crisis pijnlijk duidelijk geworden als een echte beproeving.

Wanneer de engelen aan de herders een vreugdevolle boodschap brengen, vertellen ze dat voor hen een redder geboren is. Zoals het Gloria in onze eucharistievieringen een echo is van de slotzang van de engelen, is in de grote geloofsbelijdenis een echo te horen van deze vreugdevolle boodschap: ‘omwille van ons en omwille van ons heil’’. Dat schuurt, dat is volgens mij een van de weerbarstigheden van onze geloofsbelijdenis, dat ‘omwille van ons en omwille van ons heil’, die kwalificatie ‘redder’. Is dat nou een vreugdevolle boodschap? Dat we gered moeten worden?

Ik denk van wel en om twee redenen. Allereerst gaat het hier om iets dat wij allen nodig hebben, niet alleen aan de randen van ons leven, als we klein zijn, of ziek zwak en misselijk, of oud en als dor hout omschreven, afgeschreven worden. Maar heel ons leven, midden in ons leven. Dat hebben we in de huidige crisis ontdekt: hoe diep we anderen nodig hebben.

Vervolgens gaan de engelen verder en zeggen ze iets heel belangrijks over de vorm waarin die redding komt: een pasgeboren kind, gewikkeld in doeken, liggend in een kribbe. Een kind, pasgeboren: klein en zwak dus. Gewikkeld in doeken, hulpeloos dus gebonden aan handen en voeten. Liggend in een kribbe, buiten het gewone patroon dus. Wanneer ik dat teken op me laat inwerken, ontkom ik niet het verband dat hier aan het begin gelegd wordt met het eind: de dode, vermoorde Jezus die in doeken gewikkeld wordt en in een nieuw graf wordt gelegd (Lk 23, 53). De redding waar het in ons geloof om gaat, is niet een snelle oplossing, en zeker niet een met harde hand. De redding waar het in ons geloof om gaat is die van de zachte krachten. Het leven dat ligt tussen dat kleine weerloze kind in de kribbe en die vermoorde man aan het kruis laat dat keer op keer zien.

‘Het volk dat in het donker wandelt zal een groot licht zien, een licht zal stralen over hen die wonen in het land van doodse duisternis.’ Dat hebben we de afgelopen advent telkens aan het begin van onze vieringen gebeden. Dat hebben we aan het begin van de eerste lezing gehoord. In onze lege kerk zijn lichtjes gezet, op de plaatsen waar normaal mensen zitten, waar u zit. Die kleine lichtjes samen vormen een groot licht. Het is de uitdrukking van ons geloof in de Redder uit de vreugdevolle boodschap van de engelen aan de herders.

Het zal de kunst zijn om die vorm van redding die past bij ons geloof in de komende tijd gestalte te geven in onze omstandigheden. Maar wanneer we er niet alleen voor staan, omdat we er niet alleen voor staan, kunnen we samen dat grote licht van onze Redder laten schijnen.

 

Meer nieuws

Overweging 2e zondag door het jaar 2021 Cenakelkerk

  17 januari 2021 2e zondag door het jaar    […]

Leesgroep Borgman start 4 februari

Erik Borgman schreef “Alle dingen Nieuw, een theologische visie voor […]

Zaterdagavondviering 18.30 uur via YouTube kanaal Ontmoetingskerk

Op zaterdagavond om 18.30 uur vindt er in onze parochie […]

Overweging, 17 januari, 2e zondag door het jaar 2021 B door pastoor Jacques Grubben.

‘Het is weer groen’, zei een van onze priesterdocenten op […]

Week van Gebed voor Eenheid van start op zondag 17 januari, thema: #blijfinmijnliefde

#blijfinmijn­liefde. Dat is de oproep die in 2021 centraal staat […]