Preek voor kerstmorgen 2020  Cenakelkerk 

Preek voor kerstmorgen 2020                                                                         Herwi Rikhof

Jes. 62,11-12 / Joh. 1,1-18

 

Het lijkt muggenzifterij, zeker op het eerste gehoor, klagen over een paar woordjes die niet vertaald zijn. Heb je nou niets anders om je druk over te maken in deze moeilijke tijd? Natuurlijk, dat is een vanzelfsprekende tegenwerping, maar vreemd genoeg hebben die woordjes die niet vertaald zijn van alles te maken met deze donkere en onzekere tijd. In de commentaren na de verschillende persconferenties en toespraken werden telkens ook opmerkingen gemaakt over het taalgebruik, over wat wel werd gezegd en wat niet werd gezegd, over de al dan niet duidelijke communicatie, over de toon en over de emotie of het gebrek daaraan. De toespraak van Angela Merkel waarin ze emotioneel een beroep deed op haar landgenoten om zich te houden aan de strenge regels, zag ik een paar keer langs komen. Taal is nooit zomaar taal, het maakt veel of alles uit wat je zegt en hoe je het zegt. En de kleine woordjes in onze taal maken grote verschillen, de kleinste woordjes de grootste verschillen: ja, nee.

Als je een gedicht leest, luistert dat haast nog meer dan wanneer je luistert naar een persconferentie of een redevoering. Net als evangelielezing hebben we een gedicht gelezen. Geen verhaal met begin, midden, eind, zoals vannacht, maar een diepzinnige poëtische meditatie over Jezus, een gedicht dat van beeld naar beeld springt, een gedicht over het Woord, over het Licht, over de Uitleg van de onzichtbare God.

Wat is de centrale zin van dit gedicht? Eigenlijk een onmogelijke vraag: van dat gebeeldhouwde begin tot dat fundamentele einde, van ‘In het begin was het Woord’ tot ‘Niemand heeft ooit God gezien, hij heeft hem uitgelegd’ komen in dat gedicht thema’s aan de orde die tot de kern van ons geloof behoren: licht – duister, verwerpen – aannemen, geloven – niet-geloven, kind van God worden. Maar vandaag op kerstmorgen gaat de aandacht toch vooral uit naar die zin over de menswording, over het Woord dat vlees geworden is en precies in de vertaling van die kernzin zijn een paar woordjes weggelaten, niet vertaald. In het origineel is die kernzin in drie zinnetjes verdeeld, die elk keer beginnen met και (kai), met ‘en’.

en het woord is vlees geworden,

en het heeft onder gewoond

en we hebben zijn heerlijkheid aanschouwd

Als je die kernzin zo vertaalt, met dat drie keer en – en- en klinkt dat haast als een kind dat buiten adem binnen komt rennen om te vertellen wat er gebeurd is, buiten adem vanwege het verrassende en ongehoorde dat het gezien heeft: en – en – en. Want verrassend en ongehoord is het wel wat in die drie korte zinnetjes wordt gezegd.

‘En het woord is vlees geworden’. Vlees. In de geloofsbelijdenis die we straks gaan binnen klinkt een echo van dit eerste zinnetje, maar wordt meteen toegevoegd ‘en is mens geworden’ een teken dat ‘vlees’ makkelijk verkeerd verstaan kan worden, maar in de lijn van het Oude Testament begrepen moet worden als onze menselijke conditie met al onze beperkingen en grenzen, onze zwakheid en brekelijkheid, onze eindigheid en vergankelijkheid. Verrassend en ongehoord. “In onze stoutste dromen was God nooit hier en nu” zoals een kerstlied dat verrassende en ongehoorde zo passend formuleert.

‘En het heeft onder gewoond’  of zoals dit tweede zinnetje ook wel vertaald wordt, ‘en het heeft onder ons getent’, een vertaling die die brekelijkheid en vergankelijkheid van ‘vlees’ nog eens onderstreept. Een vertaling die ook oproept hoe God met zijn volk mee trok in die lange veertig jaren in de woestijn op weg naar het Beloofde Land. Gewoond of getent, dat tweede zinnetje geeft aan dat het vlees worden van het Woord een betrokkenheid inhoudt, een aanwezigheid. Hier in de kerk worden we daar aan herinnerd door de tekst daar boven: ziehier Gods woontente onder de mensen, een tekst uit het visioen van het hemelse Jerusalem, die duidelijk maakt dat wat hier begonnen is in alle voorlopigheid tot in eeuwigheid duren zal.

‘En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd’. Het derde zinnetje is ook de derde stap. ‘Wij’ worden expliciet genoemd. In de eerste twee zinnetjes waren we al aanwezig, als het ware verborgen in ‘vlees’, en in dat ‘onder ons’, maar nu zijn wij het onderwerp. En wat hebben wij aanschouwd: zijn heerlijkheid. Heerlijkheid, dat is net als vlees een term die gemakkelijk misverstaan kan worden, alsof het gaat om de heerlijkheid, de glorie van machthebbers, sterke mannen die met geweld of met leugens zichzelf in het centrum zetten en willen handhaven. De kerkvaders Irenaeus zegt ergens dat de glorie van God de levende mens is: de mens die niet alleen maar bestaat, maar die leeft. Wat dat leven inhoudt, horen we wanneer we hier lezen uit de Schrift en zo gevoelig worden voor de normen en waarden van het koninkrijk van God.

Door coronacrisis hebben deze drie zinnetjes extra diepte gekregen en klinken ze vandaag nog verrassender en ongehoorder. De eindigheid en brekelijkheid van vlees hebben we in de laatste maanden ontdekt, of herontdekt: onontkomelijk zijn we geconfronteerd met onze beperkingen en grenzen. De aanwezigheid van anderen en betrokkenheid op anderen: hoe belangrijk die zijn hebben we in de lockdowns ervaren. En, we hebben ontdekt dat de zaken die wij in onze maatschappij belangrijk zijn gaan vinden niet noodzakelijk de normen en waarden van het koninkrijk van God zijn, niet altijd, of vaak niet de kern van leven uitmaken. We hebben – of laat ik maar voor mezelf spreken – ik heb ontdekt, beter nog, ik heb bevestigd gekregen hoe belangrijk ontvankelijkheid is, hoe vanzelfsprekend en aantrekkelijk dat ideaal van maakbaarheid, dat in onze samenleving zo aanwezig is, ook is. Ik heb bevestigd gekregen dat ik anderen nodig heb, dat ik de hulp van anderen nodig heb, niet alleen aan de randen van mijn bestaan, maar als kern van mijn leven, hoe vanzelfsprekend en aantrekkelijk dat ideaal van zelfredzaamheid, dat in onze samenleving zo aanwezig is, ook is. ‘Omwille van ons, en omwille van ons heil’ bidden we straks in de geloofsbelijdenis. Een voortdurende herinnering dat God vlees mens geworden is, een van ons geworden is, vanwege ons, omwille van ons.

Een van de indrukwekkende thema’s in de liturgie van deze kersttijd is de wonderbare ruil, een thema dat overgenomen van kerkvaders die nadachten over het verrassende en ongehoorde van de menswording. Die wonderbare ruil is dat God mens wordt opdat wij goddelijk kunnen worden. Zoals het in het openingsgebed staat: ‘neem ons op in het goddelijk leven van Hem die ons mens-zijn heeft willen delen. En elke keer als we eucharistie vieren bidden bij het klaar maken van de gaven: water en wijn worden een, gij deelt ons mens zijn gij neemt ons op in uw goddelijke leven.

Verrassender en ongehoorder kan niet.

en het woord is vlees geworden,

en het heeft onder gewoond

en we hebben zijn heerlijkheid aanschouwd

 

Meer nieuws

Preek voor de 3de zondag door het jaar 2021 Cenakelkerk

Preek voor de 3de zondag door het jaar 2021    […]

Het 6e bemoedigingsbericht van onze bisschop heeft als thema: DE BIJBEL ALS BRON VAN HOOP.

Broeders en zusters, Afgelopen zondag vierden wij de Zondag van […]

Overweging van 24 januari, 3e zondag, door het jaar 2021 B door pastoor Jacques Grubben.

Vandaag wordt de Bidweek voor de Eenheid onder de christenen […]

Overweging 2e zondag door het jaar 2021 Cenakelkerk

  17 januari 2021 2e zondag door het jaar    […]