Preek voor oudjaar- nieuwjaar 2020     Cenakelkerk

Preek voor oudjaar- nieuwjaar  2020                                                                       Herwi Rikhof

Gal. 4,4-7 / Lc. 2,16-21

 

Je ontkomt er gewoonlijk niet aan: de overzichten en de lijstjes aan het eind van het jaar. Maar dit jaar ontkom je er helemaal niet aan. Zo’n onthutsend apart jaar. Ik ben nog niet, zoals wel in de voorafgaande jaren, een artikel tegen gekomen waarin de voorspellingen voor dit jaar 2020 achteraf gecontroleerd werden, maar misschien is het wel duidelijk dat praktisch niemand deze coronacrisis zag aankomen. De opmerking van minister de Jonge dat er voortdurend geïmproviseerd moest worden, spreekt boekdelen. En, je ontkomt niet aan de goede voornemens: die horen bij nieuwjaar. In een van de kranten of tijdschriften die ik de laatste weken gelezen heb stonden tips om die voornemens een beetje reëel te houden.

Als ik deze dagen terugkijk en probeer te vatten wat ons hier in onze parochie het afgelopen jaar is overkomen, hoe ik als gelovige en als pastor deze crisis beleefd heb en nog steeds beleef, en wat voor goede voornemens wij zouden moeten maken, dan moet ik allereerst zeggen dat ik ontdekt heb hoe buitengewoon en hoe belangrijk iets is gebleken wat ik de laatste jaren eigenlijk heel gewoon vond: dat we hier in onze mooie kerk met veel mensen een warme en uitnodigende liturgie konden vieren, een liturgie waarin de mensen in de kerk geen toeschouwers waren maar actieve deelnemers om een formulering van het Tweede Vaticaans Concilie te gebruiken. De acclamaties, de schuldbelijdenis, de geloofsbelijdenis, het onze vader meezingen was gewoon en vanzelfsprekend. Die gewoonheid en vanzelfsprekendheid is jammer genoeg verdwenen. Vandaag merken we weer hoe goed het zal zijn wanneer we dat bijzondere weer gewoon kunnen meemaken

Maar ik ben ook bevestigd in een aantal zaken waar ik al jaren lang over nagedacht heb, colleges over gegeven heb, artikelen over geschreven heb, en die nu als het ware in de praktijk voelbaar worden en die niet alleen maar mooie gedachten blijken te zijn. Ik heb de afgelopen maanden daar in mijn preken wel bij stil gestaan, en daarom is wat ik nu ga zeggen waarschijnlijk ook niet compleet verrassend. Maar toch, op oudejaarsavond/ op nieuwjaarsdag is het goed, denk ik, die punten nog eens te noemen.

Het gaat om idealen die tot de waarden en normen van onze maatschappij behoren, die ook wel een zekere aantrekkelijkheid hebben, maar die niet noodzakelijk tot de waarden en normen van het koninkrijk van God behoren. Door de crisis zijn die normen en waarden van onze maatschappij onder druk komen te staan en is als het ware het contrast met de waarden en normen van het koninkrijk van God scherper geworden.

Naar aanleiding van de boodschap van de engelen aan de herders dat in Bethlehem voor hen een redder is geboren, heb ik gewezen op het ideaal van zelfredzaamheid dat in onze maatschappij op allerlei niveaus werkzaam is en dat ook wel een aantrekkelijk ideaal is. Afhankelijk zijn wil toch niemand? Zelfstandig worden, zelf beslissingen kunnen nemen, zelf verantwoordelijk zijn: dat zijn toch idealen waarmee we opgroeien. En met die idealen is ook niets mis. Paulus doet in zijn brief aan de Galaten nadrukkelijk een beroep op dat ideaal door die tegenstelling slaven – vrijen. Wij zijn die vrijen.

Maar veel of alles hangt af van hoe je dat ideaal gestalte geeft. Als dat gecombineerd wordt met een opgesloten zijn in jezelf, met egoïsme, als dat gecombineerd wordt met een onverschilligheid naar anderen toe, dan is dat ideaal een valkuil, een bekoring, een beproeving, dan verwordt het tot zelfredzaamheid en zelfgenoegzaamheid. Dan zijn anderen niet nodig, maar eerder lastig. Dat is niet gelovig. In het scheppingsverhaal wordt de eerste mens op een diepzinnige manier als fundamenteel relationeel getekend: als beeld van God en als mannelijke en vrouwelijk. En Paulus zegt vandaag dat we door ons doopsel kinderen van God geworden zijn, dat we de Geest van Christus hebben ontvangen die Abba Vader roept. Gelovig is dat ideaal van zelfstandigheid te combineren met zorg voor anderen en ook met erkenning dat ieder van ons anderen nodig heeft. Dat is precies waar een geloofsgemeenschap op wijst.

Er is nog een ander ideaal dat in onze maatschappij een grote rol speelt: het ideaal van efficiëntie. Dat past in een hele sfeer van economisch denken. Ook met dit ideaal en die sfeer van denken is niets mis, maar het wordt ook een valkuil, een bekoring, een beproeving als het alles gaat bepalen, wanneer de marktwerking de zorg dicteert, wanneer ‘voor wat hoort wat’ niet alleen de zakelijke menselijke verhoudingen bepaalt, maar ook de vriendschappelijke relaties gaat invullen, wanneer quitte spelen als het hoogste goed wordt gezien.

In de zogenaamde zegen van Aaron die ik aan het eind van deze dienst zal bidden komt de formulering voor: ‘moge de Heer u genadig zijn’. Dat is het tegenovergestelde van marktwerking, van ‘voor wat hoort wat’ en van quitte spelen. Genade heeft te maken met een welwillendheid die niet berekenend is, een echt cadeau, zo maar en voor niets. Gratis. Dat levert ook een mooie definitie op in het latijn: gratia gratis datur. Genade krijg je gratis.

Genade is een belangrijk woord in ons geloof, omdat het verwijst naar een ervaring die dieper gaat dan elke vorm van economie van gelijk oversteken, van verdienen, van recht hebben op. Als ik nadenk over mijn leven, dan realiseer ik me hoeveel ik gekregen heb, het leven zelf en mijn talenten – en dat geldt voor ieder van ons, ieder van ons heeft zoveel gekregen, zoveel gekregen om van te genieten, om dankbaar voor te zijn. Er wordt wel gesproken over geloof als een vorm van zingeven, een van de manieren waarop mensen zin kunnen geven aan hun bestaan, zoals mensen ook zin kunnen geven aan hun bestaan door sport, of werk. Maar ons christelijke geloof is op de eerste plaats een kwestie van zin krijgen, een bewust zijn dat we iets gekregen hebben zonder dat we het verdienen, zonder daar recht op hebben, een houding van diepe dankbaarheid.

Ik ben gevraagd om een bijdrage te leveren aan een boekje over de ervaring van deze crisis en bij de kerk horen. Ik heb daar dit soort gedachten in geformuleerd en ik ben geëindigd met een paar opmerkingen over onze kerk.

Onze kerk is een echte koepelkerk. De ronde vorm van de vloer, de cirkel die het grondpatroon van de kerk uitmaakt, maakt dat je waar je ook in de kerk zit, je opgenomen voelt in een grote geheel, in een gemeenschap. En de koepel, die loze ruimte maakt duidelijk dat wat hier gebeurt niet efficiënt is, maar een weldadige overvloed uitstraalt. Met zo’n kerk hoef je geen goede voornemens te maken: die krijg je.